Doofpot

Voorzichtig schud ik een beetje koperpoets over mijn poetsdoek. Een echte, want nog een van mijn grootmoeder. Oma Jansje, uit achtiennegenennegentig.

Oma woonde naast ons in onze twee-onder-een-kap woning uit 1911. Oma was dus óók de buurvrouw. Als ik thuis iets had gegeten wat niet lekker was, dan kon ik altijd nog een toetje doen bij oma. Bij pech had ik twee keer spruitjes, maar dan nog smaakten ze bij oma lekkerder.

Dagelijks stond ze in de deuropening met een lapje te wapperen. Niet om te zwaaien, maar tegen het stof. Dat wapperen was een hele kunst, het bleef namelijk een gok of de stofwolk terug naar binnen waaide.

Regelmatig stonden we samen te stoffen en poetsen, oma en ik. Met – behoudens de maat – identieke schortjes. Van oma kreeg ik een stofdoek in mijn handen gedrukt, die door haar al in vorm was gevouwen.

Had ik geluk, dan mocht ik de doofpot poetsen. Een prachtig oefen attribuut want vele tinten koper, in het zonlicht werd het goud. Ze stond op drie ronde bolpootjes. De onderkant van de doofpot was vervaagd naar een grauwe kleur, hier en daar was de bodem wat groenig uitgeslagen. Wanneer ik de deksel optilde, kon ik nog een vage asgeur ruiken.

Toen oma overleed, bleef de doofpot op haar plekje staan, verloor haar glans. Er ontstond een discussie over de herkomst en de rechtmatige eigenaar van de doofpot.

Ze bleek een antiek erfstuk te zijn van de grootmoeder van vaderskant. Oma’s schoonmoeder dus. Waarvan nog een afstammeling in leven. Aangezien deze echter nimmer bij oma op bezoek was geweest tijdens haar ziekbed, noch naar haar welzijn hebben geïnformeerd toen oma haar enig kind verloor, besloten mijn moeder en ik, dat de doofpot niet beschikbaar was voor enige vorm van overerving.

We sloten een stilzwijgend verbond, waarin elke mogelijke toevalligheid werd uitgesloten en iedere vorm van verantwoording over het erfstuk in de doofpot werd gestopt.

In de jaren negentig verhuisde oma’s doofpot in alle stilte naar de schuurzolder. Ter bescherming tegen verbouwingsschade. Ze zou er ruim twintig jaar verblijven, doordat er postrenovatief geen plek voor haar was.

Na het overlijden van mijn moeder, die na de eerste grote verbouwing (1990-1994) óók de buurvrouw was geworden, besloten we in 2013 een houtkachel te plaatsen om daarmee de kille, grote ruimte die was ontstaan, beter te kunnen verwarmen.

Wanneer ik klaar ben met poetsen, breekt de zon door, in mijn hart. Ik zet de doofpot even op tafel. Ze mag best een beetje te pronk.

De meisjesnaam van oma.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.