Vuilniswagen

De afgelopen weken volg ik (online) lessen Interplay en doe ik oefeningen in spel, playfulness. Dat wil zeggen spel voor volwassenen, waarin ik leer onbevangen mezelf te zijn, in elke omstandigheid. De lessen geven me ruimte en bovenal verbaas ik mezelf, wanneer ik met volledige overgave een hagelslagkorreltje probeer te imiteren, dat hulpeloos gevangen ligt op de bodem van het verse pak waarin hij zich bevindt.

Spelen is niet alleen maar bewegen, het is ook onbevangen vertellen, flowschrijven, woorden associëren. Bovendien is het vooral heerlijk vrij uit je hoofd spelen. Het lijf bepaalt het tempo en wat opkomt. Ik vind het elke keer weer verrassend wat er gebeurt, wat er vrijkomt en wat mag ontstaan.

Onlangs kreeg ik tijdens een van de oefenopdrachten bijvoorbeeld het woord vuilniswagen. Eerst mocht ik vijf dingen benoemen die ik zie wanneer ik aan zo’n een vuilniswagen denk. Ik zag bijvoorbeeld ogenblikkelijk een kliko. En ik zag onze altijd vrolijke vuilnisman, die aan de achterbak van de wagen bungelt en elke week luid ‘goedemorgen’ brult. Ook zag ik de overvolle vuilniszakken, die soms naast de kliko belanden en die toch altijd mee mogen. En de eenzame kerstboom, die kaal tegen de brug leunt, in afwachting om te worden opgehaald na verrichte feestelijke diensten.

Nadat ik nog een ding had benoemd mocht ik een verhaal vertellen dat bij me opkwam bij het woord vuilniswagen. Tot mijn verrassing meldde de kerstboom zich vrijwel direct. Moeiteloos kon ik vertellen over zijn bijna kale takken, die neerwaarts verdrietig over de brugleuning in onze straat waren gedrapeerd. Hoe ik vond dat hij daar stond, verloren, met zijn kaalgehakte stomp op de koude stoeptegels.

Terwijl ik vertelde, voelde ik dat het me raakte. Ik slikte even, vervolgde mijn vertelling. In mijn kindertijd had mijn vader wat lappen grond in gebruik, waarop hij van alles en nog wat kweekte. Omhoogkeek, kun je wel zeggen. Groenten, bijzondere planten, natuurlijk wat fruit en ook bomen. Wanneer er tuinbonen waren, werden die gekookt en ingemaakt en ik kan me heugen dat we spinazie en bloemkool hadden voor wel vier gezinnen. Er werd vooral met het seizoen meegegeten. Bij snijbonen vond ik dat fijn, maar bij spruitjes vond ik dat iets minder. Doordat de seizoenen wisselden, veranderde het aanbod van wat er op tafel stond ook.

Kerstbomen kweekte mijn vader eveneens, op een klein veldje. Misschien zullen het  een stuk of vijf exemplaren geweest zijn.  Sommigen kwamen van ver, uit België, mee gesprokkeld tijdens vakantiereizen, gestekt en wel. Andere exemplaren kwamen uit donkere Duitse bossen.

Onze kerstboom, uit de tuin,  kwam niet voor 20 december bij ons in huis. Ik herinner me dat ik als kind rond die tijd verwachtingsvol elke dag in de donkere namiddag voor de ramen stond, hopend dat de kruiwagen met de boom-van-dat-jaar, met mijn vader over het grindpad meekwam.

O’dennenboom, (de naaldjes noemden we ook de O’dennenaaldjes)  mocht vervolgens twee dagen in de onverwarmde bijkeuken acclimatiseren. Bij pech stonden de ijsbloemen op de ramen maar dan nog mocht de naaldenkoning niet naar binnen. Soms was ‘t lastig manoeuvreren, doordat de boom (welke van de vijf ook) ieder jaar groter leek te worden.

Eenmaal binnen mocht ik de lampjes er voorzichtig in hangen. Van die lichtjes met en knijper eraan, met bolletjes die je los kon draaien. Erna mochten de zilveren ballen in de boom worden gehaakt. Ze waren geel van oudheid en bevatten allen een verhaal, dat mijn moeder geduldig ieder jaar weer opnieuw vertelde.

Tot slot mocht dan de piek er in. Een klusje. Was de bovenste tak te dik, dan hing het van de totale hoogte van de boom af of deze getopt mocht worden. Boven de 1.80 meter mocht het. Onder deze maat werd een veto uitgesproken, vanwege de belemmering van de verdere groei van de dennenboom.

Daags na Nieuwjaar, vader was onverbiddelijk, moest de kerstboom weer verkassen. Opnieuw mocht hij eerst weer in de bijkeuken verblijven, om weer te acclimatiseren. Vervolgens werd de boom liefdevol door mijn vader in de kruiwagen gehesen en eervol teruggeplant tussen zijn soortgenoten in de tuin. Duurzaam en met respect voor het levende groen.

Terwijl ik via Zoom het verhaal van de kerstboom aan mijn mede spelgenoot vertel, voel ik naast de prikkende tranen in mijn ooghoek iets van trots vanuit mijn tenen richting mijn borstkas groeien. Ineens is me duidelijk, voel ik waar mijn liefde voor bomen vandaan komt. Ik heb het van geen vreemde en het was altijd al in mij aanwezig. Zo waardevol.

Een wonderlijke beleving om vanuit het woord vuilniswagen in spelmodus zo’n mooie herkenning van(uit) jezelf te mogen herontdekken, tijdens zomaar een winterse avond Playfulness. En dat bijna 34 jaar na het overlijden van mijn eigen (kerst)bomenheld.

2 gedachtes aan “Vuilniswagen

  1. Ferrara

    Hoe mooi kom je via de vuilniswagen bij je kerstbomenheld.
    Ik eet vandaag spruitjes. Meneer F. lust ze niet en eet boontjes.