Pakken

Vijf dozen, drie koffers, twee rugzakken.
De oogst van een vrijdagochtendje samen inpakken. In eerste instantie is mijn hulp volgens zoonlief niet nodig. Terwijl ik beneden wat verloren ronddrentel en van mijn nog veel te hete koffie slurp, besef ik me ineens dat ik helemaal niet hoef te vragen om gevraagd te worden. Niet voor niets is het werkwoord bemoederen ergens in de vorige eeuw door wijze vrouwen uitgevonden.

Zwijgend trek ik de vakantiekoffers van de zolder. Twee grote, nog vrij nieuwe koffers komen tevoorschijn. Achter een dakrandje op de vliering vind ik nog een kleine zwarte koffer. Het is er een van mijn schoonmoeder, uit de tijd dat ze rondtoerde met haar kleinzoon tijdens de avontuurlijke campervakanties. Ver vóór ze verdween in de schemering die Alzheimer heet.

Terwijl ik de koffers presenteer leg ik m’n kind uit, dat ik verhuizen met vuilniszakken géén gezellig idee vind. Ik zie hem opgelucht opkijken en hij knikt.

Een voor een vul ik de koffers met kleding, beddengoed en handdoeken. Een eenzame judoband, (geel met blauwe slip) houd ik apart, dat mag. Zoon begint intussen aan zijn vierde verhuisdoos. Kijkt wat schuin en ongemakkelijk.

“Dat Lego gaat hem niet worden mam,” zegt hij. Dat lijkt mij ook niet, op de 70 m2 die ze samen gaan bewonen.  “Dat gaat ook niet mee,” antwoord ik – net iets te snel.
“Er mag best wat achterblijven voor een eventueel kleinkind,” zeg ik met een grote grijns. Ik kan nog net achter een koffer wegduiken, wanneer hij zijn spuuglelijke hysterisch groene fluwelen kussen, (vandaag vind ik ‘m overigens schitterend) naar mijn hoofd slingert.

Even later zitten we met z’n tweeën achter een voedzame lunch. Ik rooster voor de laatste keer mijn boterhammetjes in zijn broodrooster, (die neemt hij mee) en hij plukt een zak poffertjes leeg uit de koelkast, legt ze op een bordje en samen kijken we stilzwijgend naar het ronddraaiende magnetronplateau. Met een brede glimlach besneeuwt het kind zijn bordje.

Nog even net als vroeger.