Doodsnieuwsgierig

In onze maatschappij, die geregeerd wordt door angst voor de dood, is het lastig om er nieuwsgierig naar te zijn. Het wordt niet altijd gewaardeerd om onbevangen en oordeelvrij over de dood en de periode daarna te denken. En toch doe ik dat regelmatig.

Nee, ik heb geen doodswens. Wel ben ik er nieuwsgierig naar. Misschien komt dat doordat mijn vader al vroeg overleed. Hoe ouder ik word, hoe meer ik me afvraag hoe het met met mijn vader, of zijn spirit of wat er van hem over is, gaat. Of hij zich beweegt en hoe dat dan gaat. Of je na de dood nog zoiets als ijs of snert kunt eten en ik vraag me regelmatig af of je na de dood nog wel eens hoofdpijn kunt hebben. Of een spier verrekken of ander lichamelijk ongemak kunt ervaren, wanneer je ergens rondzweeft. Als dat al zo is.

Mijn vader en ik delen zes dioptrieën. Ik koester ze en tegelijk ben ik benieuwd of hij nu ergens zonder bril iets kan zien. Zo ja, dan vind ik dat in zekere vorm toch troostrijk. Gisteren sprak ik met de krantenman van de buren over de dood.

De krantenman is een prachtige donkere meneer, ik schat ‘m op eind vijftig (die man lijkt leeftijdloos)  en wanneer ik hem een levensvraag stel, krijg ik altijd antwoord. Een serieus antwoord, waarover is nagedacht. Het komt er ook altijd bedachtzaam uit. Onze krantenman is van mening dat je alleen maar dood kunt gaan als je iets niet goed hebt gedaan tijdens je leven. Als je iets of iemand moedwillig schade hebt berokkend, of niet te herstellen leed hebt veroorzaakt tijdens je leven.  Volgens hem gaan mensen niet dood, mensen gaan over.

Overgaan. Bij zo’n woord wordt mijn nieuwsgierigheid nog meer aangewakkerd. Stel je nou toch eens voor dat er een voorportaal zou bestaan, waarin je iedereen die je ooit hebt liefgehad en die je in dit leven moet missen, aan de poort staat om je liefdevol welkom te heten, als ‘t eenmaal zover is. Eindelijk alle tijd (of toch hopelijk wel wat) om bij te praten en elkaar eens stevig te omhelzen (ik gok zomaar dat dat daar Coronaproof kan). Ik vraag me af hoeveel tijd ik nodig zou hebben met mijn vader. Vierendertig jaar bijpraten lukt niet in een stief kwartiertje.

Wat ik hem zou willen vragen? Oh, zo veel. Met name over het onderhoud in de tuin, hoe hij dat zo handig voor elkaar kreeg en ik het nog steeds zo’n vreselijk geploeter vind. Ik zou hem vragen wat hij ervan vindt dat ik nog altijd met hetzelfde vriendje ben. En dat hij zo lief en handig is. Natuurlijk zou ik vragen wat hij van zijn enige kleinzoon vindt, die werd vernoemd al weet niemand dat écht. Eigenlijk zou ik ook wel willen weten of hij herenigd werd met mijn moeder. Ik denk weinig aan hen samen, maar apart spelen ze een grote rol in mijn dromerijen.

En ik zou hem willen vragen wat hij vindt van mijn misschiennelijke verhuisplannerij. Dat er plannen bestaan, om de (over)grootouderlijke woning te verlaten. (als ik het opschrijf klinkt het toch ineens heel anders) Te voelen hoe dat nou is, uitvliegen. Is dat overdreven, al die vragen? Nee, want als je zestien bent en je vader ‘verdwijnt’ van de een op de andere nacht door een plotselinge hartstilstand dan blijf je zitten met vragen.

Heel veel vragen.

Een gedachte aan “Doodsnieuwsgierig

  1. Ferrara

    Sjees, wat een verschil in beleving. Ik denk dat als ik mijn vader aan de hemelpoort zou treffen ik meteen weer ruzie met hem maak. Hij koos voor de vrijheid toen ik zeven was. Liet zijn gezin gewoon barsten. (ik begrijp inmiddels wat narcisme betekent)
    Een hereniging van mijn ouders, ik kan me daar niets bij voorstellen. Ik denk zelfs dat me dat zwaar op de maag zou liggen. Met mijn vader in de buurt had ik het vast nooit zo goed met mijn moeder kunnen hebben.
    Je zwengelt wel wat aan. Maar deze reactie is er een van ‘neem nou mijn geval’ daar hou ik niet zo van.

    Verhuisplannen nog niet geluwd? Hoe komt het toch dat ik denk dat je daar zo heerlijk woont.