Roos nog maar eens

Vanmorgen dacht ik zomaar aan Roos. Ze verscheen in mijn blikveld door een opmerking van een connectie op Linkedin. Roos keek me nogal verwijtend aan. Ik snap het ook wel. Wanneer je tot leven wordt gewekt, mag gaan studeren en op de leukste kamer van de wereld ergens in de Pijp mag wonen in de grote stad, dan wil je dat leven ook wel een beetje ontdekken. Zo ging het niet met Roos, want uiteindelijk woont ze nog altijd in mijn hoofd. Mekkerend.

Ik verzon een Corona versie. Dat ze inmiddels 26 jaar is, eindelijk afgestudeerd na wat extra studiejaren. Een extra jaar had ze nodig nadat het uitging met Job, haar kroegbaas waar ze op donderdag tot en met zondag de bar opleukte. Job besloot na anderhalf jaar zoenen en heimelijke seks met Roos om tóch voor zijn gezin te kiezen. Daar was onze Roos goed ziek van. Het kostte haar een studiejaar en een half jaar inwonen, terug bij haar ouders. Ze kon het niet opbrengen in haar kamer boven de kroeg, waar ze wist dat Job vrolijk stond te tappen uit een ander vaatje

Haar ouders betaalden zwijgend de collegerekening. Niks veranderd, zwijgen deden ze toch. Roos had zich vaak afgevraagd of er nog een andere overeenkomst was die haar ouders ooit gehad hadden, behalve haar dan, als kind. Na een paar maanden krampachtig thuis wonen, niet uitgesproken ruzies en verwijten had Roos besloten weer naar Amsterdam terug te gaan. Ze kon (nee, wilde!) niet eeuwig thuis wonen.

Halsoverkop ging ze terug. Met de trein, een rugzak en drie grote weekendtassen. Natuurlijk had Job de kroegbaas een ander liefje gevonden. Blond dit keer, goed gevuld en bijna 1.80m lang. Het was Roos opgevallen dat zijn vrouw Claudia ineens vaker in de kroeg was verschenen. Ze kon het haar niet kwalijk nemen.

Roos wilde graag verder studeren maar wilde ook graag zichzelf vinden. Een hip en heikel onderwerp in de studie psychologie die ze volgde. Jezelf vind je nooit dichtbij en dus reisde Roos naar Azië, tenminste dat was het plan. Corona gooide echter roet in het eten. Ze had net een weekje Australië (eerste tussenstop) achter de rug, daarna kon ze nog net de laatste rechtstreekse vlucht terug nemen, naar Amsterdam.  Op Schiphol werd ze aangesproken door Jonas, die net als zij, vanaf Perth was teruggevlogen en zijn jaar freewheelen down under in rook had zien opgaan. Het was Jonas opgevallen dat Roos wat lusteloos was overgekomen op de terugreis naar Amsterdam. Nieuwsgierig van aard knoopte Jonas een praatje aan met Roos.

Samen kochten ze een koffie en een apple crisp bij coffee-to-go , en liepen urenlang door de uitgestorven aankomsthallen van het Amsterdamse vliegveld. Na drie rondes van ongeveer anderhalve kilometer elk werden ze door de marechaussee vriendelijk verzocht de hal te verlaten. Roos besloot om met Jonas mee te reizen naar Bergen, de Noord-Hollandse thuisbasis van Jonas. Hij bewoonde er een drie kamer appartement, op slechts tien minuten fietsen van het strand en vijf minuten wandelen van het levendig centrum.

Jonas’ ouders verblijven in het buitenland. Normaliter bewonen zij een enorme villa met roze torentjes in de beroemde Eeuwigelaan. Over de toekomst hoeft Jonas  zich geen zorgen te maken. Voor Roos ligt dat anders, haar ouders betalen haar studie maar meer dan dat wordt het niet. Jonas adviseert haar, om haar kamer in de Pijp op te zeggen en bij hem in te trekken. “Dan ben je ook gelijk van die kroegbaas af,” zegt hij, nadat hij het hele verhaal van Roos heeft aangehoord. “En ik heb ruimte zat,” voegt hij er vrolijk knipogend aan toe.

Roos twijfelt nog een beetje, heen en weer geslingerd tussen reislust, verliefdheid en haar verstand. Het laatste braakt allemaal lelijke gedachten uit.