Gevleugeld

Maandagmorgen, kwart voor zeven. Gekleurde lichtjes schijnen door het wolkendek, dat over Amsterdam is getrokken. Op slag krijg ik kippenvel.

Ja, ik houd van vliegtuigen. Niet op elke twee minuten maar zo af en toe wel. Het maakt indruk. Het maakt me nietig. Weet ik hoeveel kilo’s staal die zomaar omhoogkomen, zweven en wel tot zesendertig uur in de zon boven de wolken kunnen verblijven.

Het is oktober, ik fiets naar mijn werk in de donkere ochtend die de herfst tijdens zijn introductie met zich meebrengt. Meestal vlieg ik dan zelf ook. Naar Spanje. Barcelona. Ik mis haar. Haar dynamiek en haar corazon die de mijne zo liefdevol en hartelijk heeft omsloten.

Terwijl ik omhoog kijk vanaf mijn wiebelig fietsje, hier en daar een obstakel of hekje ontwijkend, voel ik de heimwee omhoog kruipen. Vanuit mijn maag zeurt het wat en ‘t draalt zachtjes langs mijn luchtpijp naar boven, om als gegeselde zucht aan mijn mond te ontsnappen.

Ja, ik hou van vliegen. Ondanks het mileudelict, dat er aan vast zit. Ik vind vliegen écht fijn. Misschien wel omdat ik het zelf niet kan. Het is best gek want in mijn aardse leven houd ik graag de touwtjes (en/of het gaspedaal) in eigen beheer en bij vliegen gaat dat niet. “En als je dan neerstort?” vroeg een vriendin ooit. “Nou dan ga ik dood terwijl ik iets doe wat ik heel graag doe, namelijk vliegen,” antwoordde ik. Zo zit ik er dus in, in zo’n aluminium vogel.

De pret begint ná de security. Dat vind ik namelijk wél heel eng. Een set mensen in uniform, die van tevoren niet samen hebben afgesproken wat goed is of niet. Je doet het dus altijd fout. Zodat zij er iets van kunnen zeggen. Flesje mee oh nee, juist niet. Riem af, nee, toch niet. Schoenen uit, oh wacht, nee, nu hoeft het niet. Meestal trek ik mijn domste gezicht op en hoop ik op clementie. Sinds ik het einde van de veertig passeerde met mijn grijze bolletje lukt me dat.

Terwijl ik het parkeerterrein van mijn eigen ziekenhuisje op rijd, zie ik het volgende vliegtuig over komen. Zachtjes blikkeren oranje en groene lichtjes door het wolkendek, waar inmiddels wat ochtendlicht doorheen piept.

Met een brok in mijn keel zwaai ik even.

Snoeien

Nu de zomer is geëindigd lijkt een van de vier phloxen in mijn voortuin het op te geven. Een beetje dor en bruin hangt ze er maar een beetje bij. Na drie dagen aankijken besluit ik dat het zo niet langer kan. Ik moet iets doen, ingrijpen in de natuur.

Eigenlijk vind ik mezelf best een dappere snoeier. Met hortensia’s kan ik heel rigoreus zijn en de boel tot op de grond toe terugsnoeien wanneer ik constateer dat groei en bloei achterblijven, tegen mijn verwachting in.

Dan controleer en tel ik de knoppen aan de struik en vervolgens knip ik de hortensia in een kort kapsel zoals een volleerd snoeistyliste. Een tijdje later kan ik intens genieten van mijn werk in de zin van de volle knoppenpracht die zich aan mij toont.

Een phlox is echter geen hortensia. Ik liep dus maar ouderwets wat te dralen om actie uit te stellen. Vanmiddag besloot ik dat uitstel geen zin meer had. Gewapend met mijn snoeischaar begaf ik me naar de halfdode phlox.

Tijdens het knippen ontvouwt zich iets wat bijna altijd opkomt bij een schoonmaak- of opruimproces: een verdwaalde zucht en zachte snik ontsnappen uit mijn keel. Direct erna krijg ik lucht. Voor mij is dat een teken: loslaten geeft ruimte. Zo ook in de voortuin.

Tot mijn vreugde ontdek ik, dat de jeneverbes niet is bezweken onder het gewicht van de zware takken van de phlox. Wanneer ik hier en daar wat dorre takjes wegveeg en de aarde omwoel komt ze als nieuw tevoren. Ook zij lijkt opgelucht te ademen.

Snoeien is een beetje als het leven zelf. Als iets niet meer goed voelt, of niet meer bij je past, dan mag je het wegdoen. Afkappen, afknippen. Loslaten, in welke vorm dan ook. Zodat er ruimte en aandacht ontstaat voor alles wat overblijft. Zodat het licht erover kan schijnen.

Terwijl ik zachtjes verder knip en mijmer, begrijp ik dat de tijd is aangebroken om ook buiten mijn voortuin te gaan snoeien. Verschillende delen uit mijn leven vragen al een tijdje om wat meer licht, aandacht en ruimte.

Weet ik voldoende over het te ontginnen gebied? Is de tijd al aangebroken om het oude af te kappen? Doodeng vind ik het. Wanneer weet je zulks?

Misschien hoeft het ook niet zo rigoureus als met de hortensia’s. Misschien kan ik – net als met de phlox – gewoon klein beginnen.

Mezelf de tijd gunnen om af en toe even achteruit te stappen om het resultaat te bekijken en de ontstane ruimte te bevoelen.