Aanwezig

“Ik vind het zo leuk dat hij nu naar zijn eigen huisje rijdt, met mijn auto. En hij rijdt zo voorzichtig. Wat is hij lang en wat is hij wijs. Z’n meisje vind ik ook leuk. Ze doet me aan iemand denken.”

Volzinnen van mijn schoonmoeder die door mijn hoofd ronddolen wanneer ik mijn kind nakijk, die in de auto van zijn grootmoeder, #Miss Alzheimer, op weg is naar zijn eigen huisje. Er wordt druk geschilderd en getimmerd. En er moet worden gemeten, vanmiddag worden er deurtjes gezaagd voor de zelfbouwkast.

“Volgens Willem moet dat kastje iets naar links, maar tegelijkertijd wil hij zich er niet mee bemoeien,” verzucht de stem. Ik grinnik. Grootvader Willem, de scheepstimmerman. Tijdens de eerste grote verbouwing, in 1990-1993 waren we dankbaar voor het vele timmerwerk dat hij geduldig verrichtte, geholpen door een enigszins ongedurige jongeman, waarvan ik onmiskenbaar de trekken zie in ons kind.

Regelmatig komen er volzinnen in mijn hoofd op die niet van mij zijn maar die ik onmiskenbaar kan herleiden naar de bron. Soms is dat mijn moeder, andere keren is het #MissAlzheimer die zich roert, thans glashelder en to-the-point. Een teken dat ze ergens mag zijn zoals ze was en daar ben ik blij om. Ergens in het hiernamaals voert iemand weer gezonde, felle doch eerlijke politieke discussies en polemieken en dat stemt me blij. Stiekem hoop ik op een teken, ergens in maart volgend jaar.

Beide moeders verkeren geestelijk regelmatig in mijn omgeving. Het gevoel dat ze er zijn wordt nog eens versterkt wanneer mijn zoon in de buurt is. Als beschermengelen lijken ze beide een permanente waakfunctie te hebben aanvaard. Ik vind dat fijn. Het is bijzonder om te merken hoe tastbaar die benadering soms verloopt.

Verder ben ik onschuldig, wat men ook beweert.

Zij

“Ah, j́íj́ bent het,” roep ik.Terwijl ik haar aankijk, krijg ik warme voeten en voel ik een lach opkomen die zich om mn mondhoeken nestelt. Het is wederzijds.

Vandaag ga ik een poliklinische HiX instructie geven aan een verpleegkundige, die wordt ingezet op de poli. Het is voor mij vaak een verrassing wie er komt. Ik ken veel gezichten uit mijn ziekenhuis maar ik kan er niet altijd direct een naam aan koppelen.

Een gezicht kan bij mij een glimlach oproepen, een uitroep van pret of een weemoedige blik. Een gezicht brengt meer communicatie, herkenning en gevoelens bij mij naar boven dan alleen een naam.

In 2002 werd onze zoon met een acute hersenvliesontsteking opgenomen. Hij was destijds nog peutertje van twee, die ons godzijdank de oren van ons hoofd kletste en dus heel goed kon aangeven, waar hij zoek was en pijn voelde. Zijn welbespraaktheid werd zijn redding, naast ouderliefde plus een adequate en liefdevolle ziekenhuisbehandeling.

Er ontstond een band met één van de verpleegkundigen, omdat ze de tijd nam en heel geduldig bleef bij onze zoon, die overstuur was en gedurende de opname onrustig bleef. Het zou nog lang duren eer ik onbezorgd met hem een doktersbezoek kon afleggen.

Destijds werkte ik nog niet in het ziekenhuis. Maar sinds ik dat wel doe, spreek ik “onze” verpleegkundige regelmatig en hebben we het over ons B. Ze vraagt altijd hoe het met hem gaat en wat hij doet. Dat raakt me als moeder elke keer opnieuw.

Vandaag mag ik haar dus aanvullend trainen, in HiX. We zitten nog altijd grijnzend tegenover elkaar. Ze vraagt me, of B inmiddels naar het middelbaar gaat.

Schaterend meld ik, dat B zijn middelbaar diploma heeft, inmiddels 21 is, studeert, een meisje heeft en dat hij binnenkort gaat samenwonen.

Samen gieren we het uit, terwijl we beseffen dat we achterlopen op de tijd. Gedurende de training verwonderen we ons samen over het begrip ervan. Tijd.

Hoe kort en kostbaar ze is, terwijl ze als zand door je vingers glijdt.