Vakantieman

Oktober 2015

Bijna dreig ik mijn evenwicht te verliezen. De ruimte draait om me heen en even ben ik bang om te vallen. Tot ik de greep om me heen voel verstevigen en ik weet, dat ik niet bang hoef te zijn.

Mijn zoon, inmiddels ruim een meter tachtig lang met een stem van een bariton en de stelten van een ooievaar, wandelt met het gemak van een doorgewinterde reiziger door de aankomsthal van Schiphol. Hij is op reis geweest, op uitnodiging van onze achterburen. Nou ja buren, wanneer je het ziet gebeuren dat je kind in een ander huishouden zover wegwijs is geraakt dat hij geheel zelfstandig zijn weg in de koelkast aldaar kan vinden, spreek je niet meer over gewone buren. Dan is het een soort van surrogaatfamilie geworden. Zo voelt het ook. En het is wederzijds.

Tien dagen lang is onze puber naar Amerika geweest. Voor het eerst gevlogen en meteen tien uur achter elkaar. Achtduizend kilometers waren we van elkaar gescheiden en tegelijkertijd door duizend onzichtbare draadjes verbonden. Hij heeft enorme pretparken bezocht en gezwommen in de Atlantische oceaan. Hij heeft indrukken opgedaan die hij de rest van zijn leven niet meer zal vergeten. Iedere minuut heeft hij intens beleefd, opgeslagen en ervan genoten. Een unieke ervaring en aan de zijlijn mochten wij met hem meegenieten.

In de aankomsthal wil ik hem het liefst om zijn hals vliegen maar beheers me, houd afstand met respect voor zijn puber welzijn. Voor ik het in de gaten heb komen mijn voeten echter los van de grond en dansend draait het kind mij in het rond. Even moet ik lachen en huilen tegelijk. Om mijn ontroerende puberzoon, die het predicaat servet nog niet helemaal kwijt is geraakt maar zo ontzettend hard op weg groeit, richting tafellaken.

Mantelzorgwensdag

Vandaag herplaats ik een blog uit 2016. Het is februari, niet mijn maand. Het is de maand waarin ik de moeders die ik in dit leven bij me mocht hebben, verloor. Waarbij de een de regie in handen mocht houden en de ander langzaam vergleed.

———————

Februari 2016

Je vraagt, waar je je voeten moet plaatsen, in de auto. “Het stoofje,” antwoord ik en plaats dat onder je voeten. Waar je je aan vast moet houden, vraag je boos. “Waar je je handen al vast hebt,” zeg ik.
“Maar ik moet nog vast,” snauw je.

Zwijgend gesp ik je voorzichtig in de autogordel, tussen de zachte vezels van het dekbed, dat je beschermd want met de drieënveertig kilo die je weegt, is de buitentemperatuur ronduit fris te noemen. Of je een zonnebril op wilt, vraagt het andere kind.

Vanaf vandaag hoor je bij hem en zijn gezin. Hij heeft beloofd de zorg voor je op te nemen. Anders gezegd: hij laat je opnemen. Mijlenver van ons vandaan. De psychiater en de verpleegkundige van het geestescentrum zeggen allebei dat het goed is, zo. Dat zeggen ze vast vaker, bij dit soort gevallen van gedwongen opnamen, wanneer het thuis niet meer kan.

En ik moet eerlijk zijn. Je kúnt ook niet meer thuis zijn want sinds een aantal dagen ben je aan het zwerven, buiten. Gelukkig kent de buurt (inclusief de schoolkinderen van de school aan de overkant van je huis) je signalement en heb je godzijdank je deur altijd openstaan. Dat is niet veilig maar wel handig. Binnen ligt namelijk het zorgboek open op tafel, waarin onze mobiele telefoonnummers. Het scheelt de buitenwereld in het opsporen.

Ik geef je een laatste zoen, draai mijn hoofd de andere kant op en ik hoor de stem van Judas dwars door het slakkenhuis in mijn gehoorzenuw tetteren. Natuurlijk hebben de psychiater en de verpleegkundige gelijk. Mijn verstand knikt maar mijn ziel zegt wat anders, namelijk dat het hele zorglandschap in Nederland de jeuk kan krijgen, liefst veel en met korte armpjes.

Maar ik ben je kind niet dus heb ik niks te vertellen. Ook dat is misschien maar goed. De grens tussen zorg en zorgen voor is al vervaagd. Nee, je wilt geen zonnebril. Toch vouw ik hem tussen je vingers. Kun je zo meteen onderweg nog ruilen, wanneer het andere kind roept dat hij niet kan stoppen onderweg. Het plassen voor de rit ging ook al lastig en onder protest. Laten we het er maar op houden, dat de ingewikkelde relatie tussen jullie onderweg geen toestanden kan verdragen.

Wanneer de auto dadelijk wegrijdt, wordt mijn leven drastisch anders. Bijna tweehonderd kilometers ben je straks bij me vandaan maar zo voelt dat niet. Ik ben geen deel van jouw navelstreng en toch was ik dertig jaar met je verbonden.

“Ga ik het daar leuk vinden?” vraag je voor de vijfde keer, de auto half rijdend.
“Ik weet het zeker,” lieg ik glashard. “Misschien ga je wel klaverjassen. Of hartenjagen.”
“Ik ga helemaal geen harten breken,” antwoord je nijdig.
Met vertroebelde blik steek ik mijn hand op, zwaai, draai me om.

Het is woensdag maar dit keer is het géén mantelzorgwensdag.