Spuitgast

Zonder tandjes, in de wissel. Zo ziet onze Anders eruit. Het doet me deugd en verdriet tegelijk. Ons mechanische kind, onze Volvo 164 met zijn kuren en zijn buien. Diep van binnen weet ik heus wel dat het goed komt maar mijn ogen durven nog niet op die wetenschap te vertrouwen.

In 2011 kwam hij in ons leven. We waren nog aan het verbouwen, onze Volvo 940 station (Lars) was een bijvangst voor de Belastingdienst geworden qua gewicht en dus kozen we voor een klassieke auto, want wegenbelastingvrij. Het leek een goede besparing gezien de verhoging van de hypotheek met die verbouwing. Negen jaar en wat reparaties verder kunnen we gerust stellen dat onze Anders geen enkele besparing heeft opgeleverd. Daarentegen heeft zijn bestaan ons de afgelopen jaren verrijkt met talloze belevenissen.

In 2012 onderging Anders een metamorfose. Het beton van onze verbouwing was amper opgedroogd en project Klassieker werd een feit. Met een zeildoek boven de garagedeuren gespannen werd onze wagen geschuurd, geplamuurd en opnieuw gespoten. Hij werd als nieuw. Hij kreeg een gastank in zijn buik om ook het tanken leuk te houden en zodoende tuften we Europa rond.

Waar we kwamen keek men vertederd, wanneer we langszij zoefden. Soms met een kano op het dak, tijdens Franse vakanties, en dan ook nog een karretje erachteraan. We bleven natuurlijk Nederlands, met alles mee van thuis. Het leverde vaak mooie gesprekken op met medeweggebruikers. Onze zoon koestert warme herinneringen aan de auto; hij beleefde nagenoeg dezelfde jeugd als zijn ouders want geen gordels achterin. Inmiddels heeft hij zelf zijn rijbewijs en neemt hij zijn verkering mee naar zee, in de klassieker.

Na negen jaar heeft Anders er verschillende kuren en revisies opzitten (motorisch is hij inmiddels spiksplinternieuw en zo rijdt hij ook). Tot onze schrik merkten we, dat er roest door de verf bladderde, door zwakke punten die we in 2012 niet hebben gezien. Roest en rot verkopen niet lekker en dus staat het mechanische kind wederom in de blokken, ditmaal op een echte brug.

Ja, u las het goed. Verkopen. Wanneer hij klaar is gaat het echt gebeuren: dan nemen we afscheid van Anders. De huidige tijd vraagt om een zuinige auto en hoezeer we ook van hem houden, onze Anders praktiseert nog altijd geen Prinsjesdag. Door het technische team alhier is nog onderzocht of er mogelijkheden bestaan om Anders om te bouwen naar elektrisch, maar helaas, dat is nog een brug te ver.

Tot die tijd staat hij op zijn sokken, kaal en wel. Het gaf me een mooie gelegenheid om zijn onderkantje eens te fotograferen. Gewoon, omdat het nu nog kan. En omdat ik die B30E zescilinder-in-lijn-liggende-motor nooit meer zó beeldschoon en brandweerrood in beeld krijg.

Vertrouwen

Het was maar een lekke band. Maar mijn reserve was niet goed opgepompt dus die ging ook lek. Tjongejonge wat was het een gedoe en een gemekker. Ja, ik kan het natuurlijk niet zelf oplossen. Ik rijd en dat is voldoende. Tenminste, dat dacht ik altijd.”

Zijn doorgerookte stem klinkt wat blikkerig, vervormd door de radio. Het groene monster heeft verbinding met het thuisfront gelegd, voor overleg met de oudste. Hij zal wel weten hoe het verder moet, nu het vertrouwen in zijn pupil tot beneden het vriespunt is gedaald.

Het oude mechanische monster spreekt langzaam en bedachtzaam. “Daar zit precies het pijnpunt”, vertelt hij. “Toen ik in 2011 in huis kwam, moest ik een donkerblauwe 940 vervangen, die behalve een haperende deurvergrendeling altijd veilig en betrouwbaar was geweest. Die auto, Lars, had nooit kuren gekend. Jouw mensengezin wilde een klassieke auto kopen die motorisch betrouwbaar moest zijn, her en der een deukje was toegestaan.”

“ Ze kochten mij, noemden me Anders. Nou dat was ik ook inderdaad, ik zat wat anders in mekaar. Ik bleek meer deuken ónder de motorkap te hebben dan erboven. Mijn hart klopte niet goed en vier van mijn zes cylinders bleken chronisch te falen. Het heeft veel geduld, reparatie- en denkwerk gekost om mij aan de praat te kunnen krijgen en te houden.”

De jonge V70 hangt aan de lippen van de oude 164E, die rustig en zachtjes zijn verhaal vervolgd. “Van de negen jaar die ik in Amsterdam woon, heb ik welgeteld vier jaar gereden. De rest van de tijd is besteed aan mijn koetswerk en aan reparatie- en revisieklussen. Mechanisch gezien ben ik inmiddels als nieuw. Toch stond ik een jaar in de Betuwe, voor de verkoop, want ze waren na al het geklus en mijn storingen desondanks een beetje klaar met mij.”

Er gaat een lichtje branden in de behuizing van de jonge groene twintiger. “Aha. Vandaar dat de vrouw des huizes altijd met haar vingers aan mijn motorkap peutert. Daarnaast loopt ze eeuwig een rondje om me heen voor inspectie en volgens mij maakt ze zich bezorgd om mijn veren. Ze wroet regelmatig met haar pols aan beide kanten in de behuizing van mijn achterbanden om de hoogte ten opzichte van de spatborden te meten. Ik vind haar raar.”

Het mechanische kind van bijna vijftig grinnikt. “Wees blij dat zij niet de bestuurder was toen je band lek ging,” zegt de oude goedig. “Ze kan vloeken, joh.”
“Wat heb jij uiteindelijk gedaan om te mogen blijven?” vraagt het groene monster. “Nou gewoon,” zegt de oudste. “Gewoon lekker blijven rijden. Want dan mag je blijven. Wanneer je echter hapert, stottert, je lichtjes in de storing zet is er slechts één alternatief en dat is dat je snufferd ofwel op Marktplaats wordt gezet of dat je voor een enkele reis naar de Betuwe wordt gebracht, waar je te koop wordt gezet als semi-klassieker.”

Rillend van onbehagen wil het groene monster zijn radiogesprekje afsluiten, tot hij de stem van zijn oudere broer blikkerig hoort. “Doe rustig aan jongen. Laat gewoon die nieuwe schoen linksvoor aanmeten, rijd daarna gewoon in je eigen stijl met ons mensengezin naar huis want daar ben je op gebouwd. Dat kun jij.”

Het groene monster luistert verder naar de stem van zijn mentor. “Bovendien heeft met name de mevrouw je uitgezocht omdat zij diep van binnen weet dat je het kunt. Maar omdat ík haar vertrouwen in auto’s grenzeloos heb verpest, betaal jij daar helaas een prijs voor en dus moet je harder werken om haar vertrouwen te winnen, maar dat kun je,” zegt de oudste met respectvolle stem. “Parijs ging toch ook goed, met aanhanger en wel?” vraagt hij belangstellend.

“Parijs ging prima”, antwoordt de groene dondergod. “Ik had de indruk dat het heel relaxt ging.”
“Heb en houdt vertrouwen,” zegt de oudste kalm. “Want als jij vertrouwen hebt en kalm en beheerst over de snelweg roetsjt, heeft de mevrouw dat ook.” Het groene monster slikt iets weg.

“Goede reis mien jong,” zegt de oudste. “Tot snel en pas op kleine steentjes,” voegt hij eraan toe. In de radiostilte die volgt maakt het groene monster de balans op. Verhuizen of verkocht worden is geen optie. Hij wil graag reizen, wat van de wereld zien. Het kan gemakkelijk, met zijn drie ton op de teller is hij eigenlijk pas net lekker warm gelopen.