Sinds ik “Zondagskind” van Judith Visser las, slaat mijn taalcentrum regelmatig een slag over.
Het struikelt over zinnen, woorden, uitdrukkingen, vragen. Ook al lijken ze voor de hand liggend of onschuldig.
Het woord verkennen bijvoorbeeld.
Militair komt op, maar óók: fietsroute. Plan. Product. Challenge, vriendschap, jeans, winkels. Alles lijkt te kunnen qua verkennen. Ineens wordt me duidelijk waarom ik de Pick-Wick vragen die op de labeltjes hangen, lastig en indringend vind. Ze zijn niet voor één gat te vangen en voor meerdere uitleg vatbaar. Toepasbaar. Open vragen waar je in theorie een antwoord op kunt vinden en waar ik in de praktijk over blijf nadenken. Waardoor ik op een oceaan van mogelijke antwoorden kom.
Met welke beroemdheid zou je een dagje uit willen?
Prachtige vraag maar in mijn hoofd geeft ie chaos.
- Wil ik uit met een beroemdheid? En zo ja, krijg ik er dan ook ongevraagde mensen erbij? Die ons lastig vallen?
- Wat is een dagje? Een ochtend, een middag of avond? Of allemaal? Van hoe laat tot hoe laat lóópt die dag?
- Mag die beroemdheid overal in, heeft hij/zij/hen een allergie, moet ik daar rekening mee houden?
- Wat is “uit” eigenlijk? Is dat binnenland, buitenland? Binnen, buiten?
- Welk vervoersmiddel mogen we inzetten? Wat is het budget en wie betaalt er?
- Wordt er gefilmd?
Nu ik het opschrijf, ontstaat de hilariteit over zoveel mogelijkheden. Je moet het maar kunnen: reisleidster zijn in je eigen hoofd. En daarom zou ik dus met niemand willen ruilen.
In mijn eigen hoofd reis ik namelijk het fijnst.
Vraag-van-Aag:
Hoe werkt taal voor jou? Laat je het weten? Je krijgt altijd antwoord.





