Terugkerend

Nog niet zo lang geleden meldde zich een meneer bij me aan de deur, met in zijn hand de nieuwste editie van het blad van de oudheidkundige
vereniging van Landsmeer.

Sinds ik richting de middelbare leeftijd schrijd, heb ik behoefte aan geschiedenis en wetenswaardigheden van het dorp waar mijn huis ooit stond en waar mijn vader opgroeide.

Ik werd lid van de oudheidkundige vereniging en daar hoort een driemaandelijks krantje bij. Soms ontdek ik foto’s van mijn grootouderlijk huis of van (over)grootouders. Ik raak telkens weer ontroerd. Voor mij zijn die foto’s een link naar een voor mij onbekende wereld die tot leven komt.

De meneer die het krantje kwam brengen, een nog frisse bejaarde, keek zo eens op het naambordje aan de voordeur.
Ik zei “Jazeker meneer, u bent zojuist een historisch oud-Landsmeersch pand genaderd.” Hij lachte wat verlegen naar het scheen, in zijn ogen een schalkse blik.

Ik legde uit, dat dit de voormalige bloemenwinkel was van de Zuid, uit Landsmeer. Die van Wolff. En dat ik daar weer familie van ben namelijk het kleinkind. Zonder verstand van bloemen, overigens.

“Dan was jouw vader Willem Wolff”, zei de man. Ogenblikkelijk gevolgd door het geluidje dat mijn vader altijd schijnt te hebben gemaakt als hij een borrel ophad.
“Helemaal goed,” antwoordde ik grinnikend.

“En dan was Jeanno dus jouw moeder”, zei de man met een brede grijns. Iets in de oogopslag van de man leek te verjongen.

Een kostelijk half uur lang heb ik
verhalen uitgewisseld over nu eens niet alleen mijn vader, maar ook over mijn moeder.

Uit Noord. Over Café de Meeuw, aan de Havikslaan. Waar mijn moeder een zeer geliefd persoon was. En volgens mij was het aan de meneer te zien nog steeds zo.

Bijzonder om zo eens een van de personen uit de geschiedenis van mijn moeder te mogen ontmoeten. Postuum kreeg ze de groetjes van Leo. De broer van Bennie, de aardappelman.

Zo waardevol dat deze verhalen de herinnering aan mijn moeder levend houden. Vertederend om te merken dat mijn moeder nog altijd een glimlach bij anderen teweegbrengt. Bijzonder om mijn moeder op deze manier te mogen leren kennen.

Spontaan, zoals mijn moeder was.

Verstandig

“Het is geen vijfde verstandkies,” zegt de professor wanneer hij samen met de arts-assistent terugkomt. Ik heb dan bijna een half uur in de tandartsstoel gelegen, waarvan twintig minuten in mijn eentje.

De afgelopen week bemerkte ik een blaar achterin mijn mond en een verdikking in mijn kaak. Die was er al een tijd, maar niet zó. Na een kort consult bij mijn eigen dentalist keek hij wat bezorgd, schreef een korte brief en verwees me door naar het VU medisch centrum.

Direct werd ik wat bezorgd. Als voormalig doktersassistente ben ik behept met een hypochondrisch brein en daarnaast weet ik uit ervaring dat als iemand VU of AMC zegt, dit in de regel niet om een simpel griepje gaat. Toch hoef ik me volgens mijn dentalist geen zorgen te maken, ik ben in goede handen. “Succes,” roept hij vrolijk.

Diezelfde middag Google ik hier en daar en vind contactgegevens van de poli. Ik kan mijn verwijzing per post opsturen, dan bellen ze mij. In eerste instantie lijkt het me een prima plan. Met de huidige post vergeten ze me vast.

Even later besluit ik dat dit onzin is en scan mijn verwijzing in. Vervolgens mail ik de poli en voor het gemak vermeld ik erbij dat ik nogal angstig ben uitgevallen. Iets met duidelijkheid en het trainen van mijn assertiviteitsspieren. Diezelfde middag word ik nog gebeld en omdat er ruimte is, (nee, heus niet ernstig mevrouw) kan ik de volgende dag al terecht. Dat scheelt me slapeloze nachten.

En dus zit ik nu in de behandelstoel, tegenover een tweekoppig professioneel tandenteam. Er is een foto gemaakt, de assistent-arts heeft gekeken en gewroet. Geprut en gefotografeerd. Want universitair centrum = altijd eerst een assistent, dan een foto + overleggen, even kijken +overleggen, beoordelen + overleggen en dan komt de “echte” dokter.

“Wat het wel is, weten we niet,” vervolgt de professor. “Dat weten we pas, als we het eruit halen. Zo gepiept, onder lokaal.”

“En als ik dat niet wil?” floept eruit voor ik er erg in heb. De arts-assistent grijnst, blijkbaar heeft hij vaker met het bijltje gehakt.

“Nou ja, ik kan niet meteen zeggen dat het iets ernstigs is, want daarvoor moet het er natuurlijk uit,” glimlacht de professor. “Maar ik maak me geen zorgen,” vervolgt hij zijn betoog, “u bent niet afgevallen, niet ziek geweest, u heeft geen veranderingen bemerkt in lichamelijke patronen, dus ik ga niet van iets ernstigs uit en dat is ook niet wat uit de beelden naar voren komt.”

Inwendig slaak ik een zucht van verlichting. Je weet het maar nooit en ik heb wel een beetje medisch verstand maar dat zit in de buikzone en hoort bij vrouwen, zeg maar.

“U vindt me vast eigenwijs,” zeg ik, “en ik zeg u bij voorbaat dat het geen vertrouwenskwestie is, ik voel me hier prima, maar ik begrijp niet zo goed waarom ik hier ben in een derdelijns instituut en niet gewoon in een tweedelijns instelling. Ik ben daar nogal van geschrokken.”

De professor begrijpt het en ik vraag of ik eerst nog mag overleggen met mijn eigen dentalist of misschien wel met iemand uit mijn eigen ziekenhuisje. Waar ik ook werk, ratel ik erachteraan. Ik vertel vervolgens dat ik beschik over een sensitief lijf dat gelukkig heel gezond is maar dat wel vaak last heeft van complicaties, na ingrepen. Napijn of een forse nabloeding zijn geen uitzondering. Eerlijk is eerlijk: met mijn hypersensitieve lijf zit ik liever in m’n eigen ziekenhuisje (nagenoeg in de voortuin) dan dat ik bij nacht en ontij nog eens naar Zuid moet. Bloedend en wel. Als het dan tóch een simpele ingreep is.

De professor glimlacht. “Ik vind het heel goed dat u dit aankaart en dat u hierover nadenkt, misschien wel wil afwachten en dat u liever naar uw eigen ziekenhuis gaat snap ik ook. Ik zie ook geen enkele reden om dat niet te doen.” Een tweede zucht van opluchting ontsnapt.

“Gaat u in uw ziekenhuis dan vooral naar dokter Blabla, want die heb ik nog opgeleid. Zeg hem vooral dat u van mij komt en doe hem de hartelijke groeten van zijn opleider.”

Met een grijns en de belofte dat alle gegevens netjes worden uitgewisseld nemen we afscheid. Dat ik diezelfde dokter Blabla ook een beetje heb opgeleid, verzwijg ik. Een korte HiX cursus staat immers niet in verhouding tot een complete universitaire studie  mond-, kaak- en tandheelkunde.