Witte rook

De oven van de Zweedse gehaktballenboer ging dus stuk. Zomaar. Er klonk een ‘klik’ toen ik de ovenfunctie knop omdraaide. In de meterkast hoorde ik ‘tik’. Groep eruit. Een van de vierendertig.

Vierendertig groepen, jawel. Oud huis hè. Vroeger, wanneer mijn moeder een was deed en manlief (toen nog vriendlief) iets wilde lassen, ging dat niet goed. Dan vlogen de vonken je om de oren. Bij de Eerste Grote Verbouwing (1990-1994) is het elektrische systeem grondig aangepakt en werden de groepen verdeeld. In fasen.

Een grote oven plaatsen tijdens de Tweede Grondige Renovatie (2011) was dus geen probleem. De complete keuken, waaronder de brede Zweedse oven, arriveerde in de zomer. Verpakt in 57 dozen, die bij elke verbouwbeweging verplaatst moesten worden. Met een goed doel: met kerst 2011 zou er een kalkoen in de oven gemaakt worden.

Het liep anders. De verbouwing liep uit en de grote brede oven bleek beschadigd en nee, dat kwam niet door de verbouwing. Met over de vloer schuiven kweek je namelijk geen grote deuk in de zijkant.

Afijn, na wat heen en weer bellen met Ikea kwam het goed. Vanaf januari 2012 kwam er een nieuwe onbeschadigde oven onze keuken ingeschoven. De eerste jaren heb ik zoveel taarten gebakken dat het belachelijk is.

Later legde ik me toe op hartig bak- en stoofwerk. We hielden pizza- avonden, er konden met gemak vier grote plaatpizza’s gemaakt worden, die zó goed waren, dat ze zelfs de kritische blik en smaak van échte Italianen doorstonden. Afgelopen donderdag bakten we voor ‘t laatst. De laatste pizzadag.

Ik wrijf met een poetsig lapje en wat antivet middel over de kookzones van het fornuis. Al die jaren hebben we een tweede set pannendragers bewaard. Voor later. Nooit gebruikt. Zonde.

Ik neem me voor dat ik minder zuinig en bewaarziek ga zijn met een volgende oven. Want dat die er komt is duidelijk.

Ik open mijn i-pad voor een tweede dag surfen. Wordt het een Italiaan? Of een Duitser? Wat een gedoe. Bij de een krijg je er van alles bij, bij de ander zelfs geen stekker. Marktplaats bezoek ik ook, tot me te binnen schiet dat niemand dan ons oude Ikeaatje weer meeneemt.

Het wordt simpel dit keer, besluit ik. Omdat het (financieel even) kan. Ik open de blauw-oranje gekleurde app op de i-pad. Enkele klikken later is de beslissing een feit geworden.

Woensdag komt Smeggy. En ik vind haar nu al leuk, met haar ene pitje méér. Soms is pit namelijk hetgeen het verschil maakt.

Foto: Coolblue

Herstellen

Drieëndertig jaar geleden overleed mijn vader. in een maartse nacht, aan een hartstilstand. De avond tevoren hadden we nog ruzie gehad om een bord spruitjes.

Ik was zestien. In 2010 kon ik er voor het eerst over schrijven. Anno 2020 altijd vind ik het nog altijd lastig om erover te praten, meestal doe ik dat in derde persoon enkelvoud en in de ratio. Elke tien jaar verandert er echter iets in mijn beleving dus ik houd moed.

Mijn vader ligt begraven in Landsmeer, tussen zijn ouders. Hij had de pech om eerder te overlijden dan zijn moeder, die ook onze buurvrouw was. Het leverde ingewikkelde toestanden op qua papieren, financiën, politieke omgang en het laveren in de afwikkeling van begrafenis en huisvesting.

Zo’n vier keer per jaar bezoek ik het graf. Meestal op speciale dagen, zijn verjaardag (nóóit op Vaderdag), mijn verjaardag en misschien een paar keer tussendoor, zomaar om te groeten. Elk jaar op 2 november brand ik een kaarsje in de lantaarn, die ik enkele jaren geleden op het graf heb gepland. Troostrijk, zo’n ritueel. Vooral als het kaarsje blijft branden en niet uit wappert. Dat weet je namelijk op 2 november nooit.

Het graf – waarin dus ook mijn oma tevens de buurvrouw plus mijn onbekende opa liggen- lag er altijd wat saai bij. Met grind, zonder enige vorm van groen. Belachelijk als je bedenkt dat mijn vader een tuinman was die het gras omhoog kon kijken. Ik besloot zo’n jaar of tien geleden om het grind opzij te husselen en er kattenkruid te planten. Mooi paars is immers koninklijk en niet lelijk. Het kruidje groeit lekker door en je hebt er verder eigenlijk geen omkijken naar. In het voorjaar zet ik er soms een bak violen bij en in de herfst een mandje heide.

Buiten die vaste keren per jaar ben ik niet zo’n grafganger. Voor mijn gevoel heb ik er weinig te zoeken. Mijn vader ligt daar niet, hij fietst ergens in een groene weide, op zijn vouwfiets, in het hiernamaals, door de hemelse tuinen. Wanneer hij daar niet aan het grutten is tussen de aardappels en de tomaten, dan helpt hij mij hier beneden geestelijk met de snoei en de beplanting in mijn achtertuin. Zo doen we dat al jaren.

Eind mei, op vaders verjaardag, bezocht ik het graf opnieuw. Ik vond het wederom maar een saaie bedoening. Een vaalgrijs, grauw graf, waarvan de letters van ook mijn naam nog nauwelijks zichtbaar zijn. Met onkruid dat het kattenkruid overheerst. Zo kon het niet langer. Ik besloot hulp in te schakelen in de vorm van een dierbare vriend, die zowel ervaring heeft met rouw als met het schoonmaken en in ere herstellen van grafplaatsen.

Samen gingen we aan de slag. Ik had tuingereedschap meegenomen, geen idee eigenlijk waarom. Mijn vriend had groene zeep en een borsteltje bij zich. Ik moet er verwonderd hebben uitgezien want hij vertelde mij, dat het goed zou komen. Halverwege de klus ben ik terug naar huis gefietst om nog een extra schuursponsje te halen en mijn tuinhandschoenen. Op een ander graf, onder zorg van die lieve vriend stonden namelijk metershoge distels, die ik er voor hem wilde uit trekken maar niet met mijn blote handen. Zo ruilden we onze grafklussen een beetje uit.

Toen ik terugkwam, gewapend met extra schuurspons, handschoenen en twee blikjes suikervrije cola, riep mijn vriend dat ik echt even moest komen kijken. De grafsteen van mijn vader bleek na de behandeling met groene zeep prachtig te zijn getransformeerd. De kleur was niet meer vaal grauwig-groen maar bleek naar het oorspronkelijke witgrijs te zijn metamorfoseerd, met schitterende parelmoerachtige stipjes erin. Het bracht me herkenning want ja, zo zag de steen er inderdaad uit, in 1987.

Hier en daar zijn nog wat strepen en groene stukken op de grafsteen te zien. Mijn vriend vertelde, dat het een kwestie is van de behandeling nog een paar keer herhalen. Dat komt goed uit, want als ik iets goed kan, dan is het herhalen. Zo werken lessen en cursussen immers ook en toevallig ben ik daar een kei in. De komende tijd ben ik dus vaker op de begraafplaats te vinden, gewapend met emmer, spons en groene zeep. Plus een portie geduld.

Aan mij gaat het niet liggen.