Hartluisteren

Mijn vakantie begon met een fietstocht naar Purmerend. Het was heerlijk fietsen in de velden, door de regen.

Heerlijk afgekoeld en nog wat klammig kocht ik op advies van een collega een kussenspray van Rituals. En omdat ik tóch lekker bezig was en vakantie heb, kocht ik er ook een hand- en een voeten balsem bij. Iets met zelfzorg.

Op weg terug naar huis besloot ik via Purmerland te rijden. Impulsief en zonder bewuste bedoeling sloeg ik bij de kerk rechtsaf, het Wormerpad in. Dwars door de bloeiende velden stak ik op m’n fietsje het spoor over en voor ik het wist stond ik mijmerend uit te kijken over de Wormer, over de eindeloze Zuiderweg die zich als een kantlijn door de omgeving uitstrekt.

Halverwege de lijn – onzichtbaar tussen de bomen maar ik weet onmiskenbaar waar – staat de boerderij waar we zondag zijn wezen kijken. Plotseling werd ik overvallen door een intense huilbui. Die gedateerde bouwval boerderij maakt blijkbaar iets in mij los wat ik niet kan thuisbrengen. Mijn lichaam vertelt me iets alleen ik begrijp de boodschap niet.

Eenmaal thuis besloot ik, dat ik het wilde weten. Met een bonkend hart besloot ik de makelaar te bellen. Op zoek naar het verhaal achter dat pand dat al ruim twee jaar te koop staat onder verschillende prijzen en afmetingen qua grond. Een pand dat me al twee weken trekt. Dat me wakker houdt en me overdag laat dromen. Want stel nou.
Stel dát.

Ik: “Goedemiddag, ik bel over het pand zus-en-zo van daar-en-daar en ik ben zeer benieuwd naar ‘t verhaal erachter. Ik heb interesse. Ik heb kluservaring én ik houd wel van ‘n oud pand.”
Makelaar: “Och. U belt nèt te laat, ik heb zojuist het koopcontract getekend terug ontvangen. Als u wilt, kunt u op de reservelijst?”

Veertien

Veertien jaar geleden startte ik als vers afgebakken polimedewerker op de poli Gynaecologie in een middelgroot zelfstandig Amsterdams ziekenhuis. Technisch gesproken begon ik op maandag 3 juli. Het was een bijzondere reis geweest om er te komen. Niet in de eerste plaats, doordat ik eigenlijk niet op die plek had moeten zijn.

In mei 2006 werkte ik als verzekeringsacceptant in Alkmaar. Inwendig kreeg ik vlekken van het feit dat wanneer een aspirant verzekerde iets teveel woog, er een kostprijs hing aan het label van de levensverzekering. Wanneer er in de berekening ook nog een beleggingsrisico moest worden meegenomen was het prijskaartje niet meer te berekenen en ook niet meer uit te leggen.

Mensen met chronisch overgewicht, alcoholgebruik en die hadden opgegeven, wel eens depressief te zijn geweest, kwamen amper door de medische acceptatie. Bijna onverzekerbaar. Ik vond daar iets van, mede ook, doordat we vanachter een bureau moesten besluiten of een risico te verzekeren was. Natuurlijk waren er de sterftecijfers en de actuariële berekeningen. God verhoede overigens dat zulke berekeningen ooit teloorgaan in een oorlog, vloedgolf of tweede Corona pandemie,  want dan raakt de wereld verzekeringstechnisch pas echt reddeloos verloren.

Ook toen was ik aan het leren. Medische terminologie, fysiologie, anatomie, correspondentie, pathologie en ziekteleer. Kortom: het boeiende vak van medisch secretaresse.  Elke woensdagavond begaf ik me naar het Regiocollege te Zaandam, om daar door meneer De Swart te worden onderwezen in de kunsten van de medische wetenschap, tot de grens waarin deze administratief noodzakelijk is. Die grens lag best ver, onze leraar – een oud-huisarts –  was streng. Heel streng.

Het was niet zozeer alleen het feit dat de longader de belangrijkste uitzondering bevat op de regel dat slagaders zuurstofrijk bloed vervoeren en aderen niet. De hele tractus circulatorius en de tractus respiratorius diende enkele malen in de opleiding volledig in stroomschema, dat wil zeggen met bewegingspijlen en in kleur, te worden getekend. Fouten in de bloedtoevoer en in de benamingen (vena versus arterie) werden genadeloos in rood, de kleur van zuurstofrijk bloed, overgoten. Er was geen sprake van hoongelach maar de teleurgestelde blik van  de leraar bij het maken van fouten werd door ons als traumatisch ervaren.

In de maand juni 2006 stond het examen op de rol. Een maand eerder had ik een vacature gevonden in het ziekenhuis, op de poli Gynaecologie. ik twijfelde over een sollicitatie, mijn ervaringen als pasgeboren moeder waren eerder niet soepel verlopen. Desondanks besloot ik een brief te schrijven, adresseerde en sloot de enveloppe. Daags erop werd ik er ineens niet rustig op. Ik zou de brief verscheuren, na mijn werkdag. Niks omgooien carrière, cijfers waren immers veilig én waren mijn leven. Dit kon best met een medische term hier en daar worden opgeleukt.

Thuisgekomen bleek de brief  weg. Verdwenen, foetsie. Een rondvraag in huis leerde ons de verblijfplaats. In mei 2006  was mijn moeder ook de buurvrouw. En in die hoedanigheid nam ze haar taak als goede zorgbuur buitengewoon serieus. Ze was de geadresseerde envelop met postzegel tegengekomen aan onze zijde van het huis en had deze liefdevol in de brievenbus gedeponeerd.

Drie dagen later werd ik gebeld door de afdeling personeelszaken van het ziekenhuis. Heel jammer, er was een interne kandidaat en de vacature was vergeven. Licht opgelucht en met een bonkend hart vertelde ik de dame dat het heus niet erg was. De mevrouw vroeg, of ze mijn brief in portefeuille mochten houden. Mijn hoofd riep van niet, mijn stem vertelde echter dat het goed was. Nog wat dagen later werd ik weer gebeld. De interne kandidaat had zich teruggetrokken. Wilde ik alsnog solliciteren? “Nee, het is wel in orde zo,” probeerde mijn verstand zich in het telefoongesprek te mengen. “Oh ja, leuk,” hoorde ik iemand (ik?) terugzeggen.

Zonder diploma – het examen moest nog – werd ik aangenomen, met de belofte om ergens in 2006 ook meteen door te leren voor doktersassistente. Ik zat tóch nog volop in het leerproces, de opleiding tot doktersassistente leek me een logisch vervolg.

In de laatste maand dat ik nog in Alkmaar werkte, heb ik enkele keren mijn auto op de vluchtstrook van de A9 of A8 gestaan. Volledig over de zeik, met een hartslag van weet-ik-veel hoe hoog, in de volledige overtuiging dat ik een hartaanval had. Overstuur hing ik aan de telefoon, met de huisarts. Natuurlijk mocht ik komen. De vertaling van mijn klachten bleek simpel. Het was nogal een stap geweest om veertien jaar verzekeringen achter me te laten. Jaren waarin ik van springerige twintiger een volwassene werd, trouwde en vervolgens was gemetamorfoseerd naar moeder van een kind.

Op maandag 3 juli startte mijn medische carrière in het ziekenhuis. Ik begon met een zoektocht naar de kleine echo, want die was kwijt. Geen idee wat de grote echo was, dat kwam later. Het ontbreken van de echo bleek een lichte ramp want het was maandag. Veel echo’s, zo ontdekte ik in de weken erna. Het apparaat bleek na een intensieve speurtocht, die door het hele ziekenhuis leidde, tijdelijk residentie te houden op de Spoedeisende.

Ik leerde die dag twee belangrijke lessen. De eerste was, dat ik nooit meer zou verdwalen in de vele gangetjes die het ziekenhuis kent. De tweede was dat ik de echo, welke dan ook, meestal terugvond voordat iemand zich kon realiseren dat hij kwijt was geweest.