Veertien

Veertien jaar geleden startte ik als vers afgebakken polimedewerker op de poli Gynaecologie in een middelgroot zelfstandig Amsterdams ziekenhuis. Technisch gesproken begon ik op maandag 3 juli. Het was een bijzondere reis geweest om er te komen. Niet in de eerste plaats, doordat ik eigenlijk niet op die plek had moeten zijn.

In mei 2006 werkte ik als verzekeringsacceptant in Alkmaar. Inwendig kreeg ik vlekken van het feit dat wanneer een aspirant verzekerde iets teveel woog, er een kostprijs hing aan het label van de levensverzekering. Wanneer er in de berekening ook nog een beleggingsrisico moest worden meegenomen was het prijskaartje niet meer te berekenen en ook niet meer uit te leggen.

Mensen met chronisch overgewicht, alcoholgebruik en die hadden opgegeven, wel eens depressief te zijn geweest, kwamen amper door de medische acceptatie. Bijna onverzekerbaar. Ik vond daar iets van, mede ook, doordat we vanachter een bureau moesten besluiten of een risico te verzekeren was. Natuurlijk waren er de sterftecijfers en de actuariële berekeningen. God verhoede overigens dat zulke berekeningen ooit teloorgaan in een oorlog, vloedgolf of tweede Corona pandemie,  want dan raakt de wereld verzekeringstechnisch pas echt reddeloos verloren.

Ook toen was ik aan het leren. Medische terminologie, fysiologie, anatomie, correspondentie, pathologie en ziekteleer. Kortom: het boeiende vak van medisch secretaresse.  Elke woensdagavond begaf ik me naar het Regiocollege te Zaandam, om daar door meneer De Swart te worden onderwezen in de kunsten van de medische wetenschap, tot de grens waarin deze administratief noodzakelijk is. Die grens lag best ver, onze leraar – een oud-huisarts –  was streng. Heel streng.

Het was niet zozeer alleen het feit dat de longader de belangrijkste uitzondering bevat op de regel dat slagaders zuurstofrijk bloed vervoeren en aderen niet. De hele tractus circulatorius en de tractus respiratorius diende enkele malen in de opleiding volledig in stroomschema, dat wil zeggen met bewegingspijlen en in kleur, te worden getekend. Fouten in de bloedtoevoer en in de benamingen (vena versus arterie) werden genadeloos in rood, de kleur van zuurstofrijk bloed, overgoten. Er was geen sprake van hoongelach maar de teleurgestelde blik van  de leraar bij het maken van fouten werd door ons als traumatisch ervaren.

In de maand juni 2006 stond het examen op de rol. Een maand eerder had ik een vacature gevonden in het ziekenhuis, op de poli Gynaecologie. ik twijfelde over een sollicitatie, mijn ervaringen als pasgeboren moeder waren eerder niet soepel verlopen. Desondanks besloot ik een brief te schrijven, adresseerde en sloot de enveloppe. Daags erop werd ik er ineens niet rustig op. Ik zou de brief verscheuren, na mijn werkdag. Niks omgooien carrière, cijfers waren immers veilig én waren mijn leven. Dit kon best met een medische term hier en daar worden opgeleukt.

Thuisgekomen bleek de brief  weg. Verdwenen, foetsie. Een rondvraag in huis leerde ons de verblijfplaats. In mei 2006  was mijn moeder ook de buurvrouw. En in die hoedanigheid nam ze haar taak als goede zorgbuur buitengewoon serieus. Ze was de geadresseerde envelop met postzegel tegengekomen aan onze zijde van het huis en had deze liefdevol in de brievenbus gedeponeerd.

Drie dagen later werd ik gebeld door de afdeling personeelszaken van het ziekenhuis. Heel jammer, er was een interne kandidaat en de vacature was vergeven. Licht opgelucht en met een bonkend hart vertelde ik de dame dat het heus niet erg was. De mevrouw vroeg, of ze mijn brief in portefeuille mochten houden. Mijn hoofd riep van niet, mijn stem vertelde echter dat het goed was. Nog wat dagen later werd ik weer gebeld. De interne kandidaat had zich teruggetrokken. Wilde ik alsnog solliciteren? “Nee, het is wel in orde zo,” probeerde mijn verstand zich in het telefoongesprek te mengen. “Oh ja, leuk,” hoorde ik iemand (ik?) terugzeggen.

Zonder diploma – het examen moest nog – werd ik aangenomen, met de belofte om ergens in 2006 ook meteen door te leren voor doktersassistente. Ik zat tóch nog volop in het leerproces, de opleiding tot doktersassistente leek me een logisch vervolg.

In de laatste maand dat ik nog in Alkmaar werkte, heb ik enkele keren mijn auto op de vluchtstrook van de A9 of A8 gestaan. Volledig over de zeik, met een hartslag van weet-ik-veel hoe hoog, in de volledige overtuiging dat ik een hartaanval had. Overstuur hing ik aan de telefoon, met de huisarts. Natuurlijk mocht ik komen. De vertaling van mijn klachten bleek simpel. Het was nogal een stap geweest om veertien jaar verzekeringen achter me te laten. Jaren waarin ik van springerige twintiger een volwassene werd, trouwde en vervolgens was gemetamorfoseerd naar moeder van een kind.

Op maandag 3 juli startte mijn medische carrière in het ziekenhuis. Ik begon met een zoektocht naar de kleine echo, want die was kwijt. Geen idee wat de grote echo was, dat kwam later. Het ontbreken van de echo bleek een lichte ramp want het was maandag. Veel echo’s, zo ontdekte ik in de weken erna. Het apparaat bleek na een intensieve speurtocht, die door het hele ziekenhuis leidde, tijdelijk residentie te houden op de Spoedeisende.

Ik leerde die dag twee belangrijke lessen. De eerste was, dat ik nooit meer zou verdwalen in de vele gangetjes die het ziekenhuis kent. De tweede was dat ik de echo, welke dan ook, meestal terugvond voordat iemand zich kon realiseren dat hij kwijt was geweest.

 

 

Ridders

Een beetje verlegen staan ze samen aan de balie, hand in hand, verlegen lachend.
Ze draagt een kleurige bloemenjurk die bijna vanaf het plafond reikt tot op de vloer, waar de stof contact maakt met de zwarte veterschoenen met blokhak. Boven de balie vind ik haar hoofd dat bijzonder kunstig en kleurig is opgemaakt en dat wordt omlijst door vlammend rode krullen. Meerdere piercings grijnzen me tegemoet vanonder twee in keurige boogjes getatoeëerde wenkbrauwen, die mij nieuwsgierig opnemen.
Naast haar staat een jongeman, met een glimmende zwarte kuif. Even later zie ik dat niet alleen zijn haar donker is; de rest van zijn verschijning is dat ook. Een zwart leren jasje dat is versierd met spikes, hangt losjes om zijn schouders. Eronder grijnst een grijs doodshoofd dat op zijn zwarte t-shirt is gedrukt. Zijn jongensachtige benen steken in een zwarte jeans, die her en der gaten vertoont.
In de linker wenkbrauw van de jongen (voor de kijkers rechts) zit een piepklein zilveren ringetje met een bolletje gepiercet en wanneer ik beiden aankijk om naar het polikaartje van het meisje te vragen, zie ik dat onder de neus van de jongeman een halve ring steekt, waarop kleine rillingen over mijn rug trekken. Niet uit antipathie maar omdat het zetten van een piercing in een neusbot me een pijnlijke aangelegenheid lijkt.
Ze verontschuldigingen zich beiden, nerveus lachend, de bus kwam niet opdagen en toen hij eindelijk wel kwam zijn ze bij de verkeerde halte uitgestapt. Vervolgens was het puzzelen welke ingang van het ziekenhuis ze konden gebruiken. Ze zijn opgelucht dat de poli nog niet lijkt te zijn gesloten. De dokter, die eigenlijk naar al huis wilde, trekken we aan zijn jasje en hij blijft nog even.
Het meisje heeft een anticonceptiestaafje in haar arm. Het is sinds kort een beetje gaan jeuken en bovendien blijft ze tussendoor steeds bloed verliezen. Dat is op zijn zachts gezegd vervelend, net als de hoofdpijn die ze van het staafje heeft gekregen. Conclusie: dat staafje moet eruit.
Beiden gaan wat giechelig op de zachte bank in de wachtkamer zitten. Het is ook wel grappig want je kunt natuurlijk om vele redenen in de wachtkamer van een gynaecoloog zitten. Het meisje houdt haar jurk vast alsof ze kilo’s is aangekomen en beiden schieten in de lach.
We pakken het karretje, waarin de spullen zitten waarmee de arts het staafje uit de bovenarm van het meisje kan verwijderen en zetten alles netjes steriel klaar in de spreekkamer. Even later worden ze binnengeroepen.
Niet veel later verschijnt het hoofd van de dokter om de deur van de poli. Assistentie gevraagd. Mijn collega loopt richting de deur maar volgens de dokter moeten we even allebei. We schieten overeind, het gebeurt vaker dat een patiënt flauwvalt na het zetten van een spiraal of het verwijderen ervan. Meestal leggen we de mevrouw op een bedje, maken een kopje thee met suiker en laten haar in alle rust even bijkomen. Het komt namelijk altijd weer goed.
In dit geval is dubbele assistentie op zijn plaats. Niet alleen het meisje is niet helemaal lekker geworden maar ook de jongeman zit grauw geworden van narigheid op zijn stoel, kijkt wazig voor zich uit. Mijn collega en ik controleren of beiden aanspreekbaar zijn en vervolgens brengen we hun hoofden naar beneden, tussen de benen en laten ze rustig ademhalen. Na een tijdje zetten we ze rechtop en controleren hun bloedtoevoer aan de hand van hun gezichtskleur, die lijkt bij te trekken. Via een langzame buikademhaling -even handen op je buik en “voelend” ademen- zien we de jongen en het meisje weer kleur krijgen.
“Ik kon haar moeilijk alleen naar binnen laten gaan, want ze kan niet tegen bloed,” zegt de jongeman, inmiddels met rode wangen. “Maar eigenlijk kan ik er zelf ook niet tegen. Ik ben een hulp van niks”
We leggen uit, dat het helemaal niet erg is om flauw te vallen. Het is ook best een eng gezicht, bloed bij iemand die je leuk vindt en die je ziet wegtrekken.
Even later stappen ze naar buiten. Zij zonder staafje maar met een grote pleister op haar arm en hij met een deukje in zijn ego maar met een opsteker voor de heldenmoed richting zijn meisje.
Sinds die bewuste polidag weet ik het zeker.
Ridders bestaan nog. Ze zijn nooit weggeweest; door de eeuwen heen hebben ze zich staande weten te houden in de jungle die wereld heet. En soms vind je ze zomaar terug, verstopt onder kleding die mogelijk als intimiderend overkomt.