Dimensie

Drie weken geleden ging ik over naar een nieuw jaar. Een nieuwe tijd, want ik werd vijftig. Een mijlpaal. Fantastisch, vijftig betekent voor mij thuiskomen bij mezelf.

Daarnaast speelde er iets bijzonders mee: in tegenstelling tot andere jaren was het dit jaar uitzonderlijk beeldschoon weer. Dat is gek want ik ervaar niet vaak mooi weer op mijn verjaardag. Meestal grauw het grijs en regent het, soms hagelt het compleet met storm en/of sneeuw.

Vijftig is tijd voor nieuw en tegelijk was er geen tijd om afscheid te nemen van het oud. Ik had vrijaf genomen, had een vol programma voor mezelf gemaakt omdat ik intuïtief wist dat de week erop anders zou verlopen. Genieten nu het nog kon. Naar de kapper zou ik, vervolgens zou ik naar een museum en ik wilde graag eens een schoonheidsbehandeling ondergaan en zo waren er nog wat zaken.

Van mijn gezin kreeg ik een digitale camera, om op een ludieke manier een fotografisch geheugen op te bouwen. Manlief bleek ook vrijaf te hebben genomen. Ter plekke besloot ik dat de kapper kon wachten en mijn programma kon ook best een ander keertje. Manlief en ik vertrokken naar zee, met de kleine auto, ingeladen met de honden, gewapend met mijn nieuwe camera plus een goed humeur. Het was beeldschoon weer, het ijzige diepblauw in de lucht was feestelijk getooid met engelenveertjes. De zee toonde zich bijzonder aquamarijn, mijn lievelingskleur.

Ik schoot onnoemelijk veel foto’s, om te proberen en – naar ik nu vermoed-  te kunnen teren, voor later. Manlief en ik besloten ter plekke, terwijl we aan de koffie met gebak zaten,  om zulke uitstapjes vaker spontaan te ondernemen. Het leek ons heerlijk om vaker te genieten van zo’n dag zoals het opkwam. Meer gebruikmaken van vrije tijd. Samen. Zo schaars!

Allebei hebben we niet geweten dat het voorlopig ons laatste uitstapje was. Vanaf 12 maart zijn er maatregelen op het werk afgekondigd: om en om werken we thuis en op kantoor. Mijn atletiekclub heeft haar deuren gesloten en vanaf 16 maart zit Nederland collectief binnen.

Uiteraard mag ik niet mopperen want ik mag nog naar buiten, ik kan nog op verschillende dagen naar mijn werk. Ook kan en mag ik nog hardlopen. En toch voel ik me regelmatig niet in orde, verdrietig, in de rouw. Drie weken alleen hardlopen begint zijn sporen achter te laten. Het feit dat ik niet spontaan een vriendin kan opzoeken of kan dwalen langs de Amsterdamse grachten en parken geeft me een onbestendig, lusteloos gevoel. Ik weet het, het zijn slechts luxeproblemen van mijn geest, die zich gevangen voelt. Mijn hart  bonkt onrustig, zij spreekt nu eenmaal niet de taal van het verstand en gelukkig leert zij steeds duidelijker haar mening te ventileren.

Mensen zijn geboren om contact te maken, verbinding te ervaren. Wanneer we dat niet vinden, gaat het mis, raken we ontheemd, depressief, verslaafd of nog erger. Wanneer we een gesprek voeren willen we zíen hoe onze woorden worden ervaren en beleefd. We willen de voorhoofdspieren kunnen tellen, wanneer onze gesprekspartner in een lachstuip schiet. We willen peilen of de glimlach die getoond wordt ook met de ogen wordt uitgevoerd. De mens, de homo sapiens, als natuurlijk verbindingsofficier vanuit hart en nieren.

Hoewel ik elke dag geraakt wordt door de vele bijzondere, warme en liefdevolle initiatieven die mensen in deze bijzondere tijd samen of alleen ondernemen, om het leuk te hebben en te houden met en voor elkaar, overvalt de stilte mij regelmatig.

Oorverdovend nestelt zij zich als ongenode kraker in mijn bovenkamer, brutaal de ruimte opeisend binnen de stille, leeggevallen verbindingsloze hoekjes in mijn hoofd.

Broek

Deze week wilde ik appen met mijn moeder. Dat was om meerdere reden bijzonder want ten eerste beschikt de telefoon van mijn moeder slechts over een SOS-knop en ten tweede kan ik mijn moeder nooit meer bereiken. Ze heeft het aards bestaan vijf jaar geleden verruild voor het hemelse.

Ik dwaalde door een van mijn favoriete gebouwen in Amsterdam, de Hermitage, de voormalige Amstelhof. Waar ik ooit samen met mijn moeder bij ome Han met zijn demente suiker op visite ging en waar we belandden bij een dwalende Sylvain Poons, toen nog een bekende Nederlander. Toen ik mezelf in de tegenwoordige tijd voorzichtig naar de tentoonstelling “Classic beauty’s” wilde loodsen, werd ik ingehaald door een groep vrouwen. In den beginne vielen ze mij niet op, tot ik de gemene deler ontdekte.

Geverfd haar in alle kleuren behalve grijs, terwijl de natuurlijk getinte matjes her en der vanaf de schedel vals oplichtten. Ten tweede was daar het gemeenschappelijk gebruik van de felrode lipstick. Lieve vrouwen van welke leeftijd dan ook, er komt een tijd dat je die lipstick moet laten liggen. Beter nog: moet weggooien. Ritueel voor mijn part, maar vanaf een zekere leeftijd ziet het er niet meer uit als op je vijfentwintigste, al geloof je zelf oprecht van wel. Tot slot droegen de meisjes (dat riepen ze tenminste steeds naar elkaar) allemaal een elastische broek-met-vouw, vergezeld van Ecco’s. Met veters. Plus een soort vest erop. Ineens begon het me te dagen. Mijn moeder haatte het dragen van een broek. Liever droeg ze jurken en rokken, met schoenen die altijd pasten bij de riem en bij de tas. Mijn moeder deed aan ensembleren. Ze had oprecht een gruwelijke hekel aan elastische broeken en aan veterschoenen. Het deed mijn moeder denken aan gevallen nonnen op poezenschoenen.

Toen ik destijds voorzichtig opperde dat er ook heus andere broeken te koop waren, bewoog mijn moeders gezicht zich lieftallig richting één van haar honderdvijftig glimlachen en zei: “niet voor mij.” Toch moest ze er rond haar 68e aan geloven; vanwege een niet helemaal goed gelukte heupoperatie was het aantrekken van een panty vrijwel onmogelijk geworden en dus stapte mijn moeder alsnog over op de broek. Het werd een model wat we nu jeggings noemen, een combinatie van een spijkerbroek en een legging. Het liet zich uitstekend combineren met een mooi tuniek of vest. Daarnaast bezat mijn moeder verschillende blouses, die zich uitstekend met deze broeken lieten combineren. Uiteraard werden er geen Ecco’s aangeschaft maar fietsschoenen. Zonder kliksysteem of gympachtige sportschoenen, het waren veelal laarsjes met een mooi klein hakje dat over de trapper paste, zodat mijn moeder tijdens het fietsen goed de grip kon houden. (“Nee kind, die schoenen niet, daar kan ik niet mee fietsen”)

Tot een kleine drie jaar geleden droeg ik ook immer broeken. Jeans in alle soorten en maten. Na het stoppen met roken ontwikkelde ik echter een voorliefde voor het goede leven en vonden de kilo’s zich een weg naar mij. Dat betekende dat ik me niet meer lekker voelde in een broek, waarin ik een champignontaille leek te hebben ontwikkeld. Een logische stap naar de jurk volgde. Mijn silhouet werd volwassen en ik ook.

Anno 2018 ren ik rondjes en verlies ik de kilo’s weer wat uit het zicht (waarbij ik bid dat ze nóóit meer terugkomen) en toch vind ik mezelf nog steeds geen broekenvrouw. Telkens wanneer ik een broek pas, word ik opnieuw ongelukkig en ontwikkel ik een depressie. Terwijl ik, als ik een willekeurige jurk uit welke winkel ook over mijn hoofd gooi, mezelf direct tot een alternatieve Marilyn Monroe verklaar. Mijn middelbaar figuur lijkt een stilzwijgend prachtig verbond met de jurk te hebben gesloten, waarbij ik ervoor waak, dat de tas altijd matcht met mijn schoenen. Net zoals bij mijn moeder, vroeger.

Halverwege de Classic Beauty’s kwam ik tot de ontdekking dat ik de audiotour was vergeten. Nu houd ik niet van geblaat achtergrondinformatie tijdens een tentoonstelling maar er hingen ook bordjes met muzieksymbolen waaraan kon worden gekoppeld. Kunst kijken, begeleid door Bach en tijdgenoten daarentegen vind ik dus geweldig. Even later liep ik genietend langs de groep broeken-met-vouw met Ecco’s, in mijn jurk waaronder schoenen die bij mijn tas pasten.

De verbondenheid met mijn moeder voelde inniger dan ooit. Ik pakte mijn telefoon.
En stopte hem niet veel later stilzwijgend, glimlachend, terug in mijn tas.