Vakantieman

Oktober 2015

Bijna dreig ik mijn evenwicht te verliezen. De ruimte draait om me heen en even ben ik bang om te vallen. Tot ik de greep om me heen voel verstevigen en ik weet, dat ik niet bang hoef te zijn.

Mijn zoon, inmiddels ruim een meter tachtig lang met een stem van een bariton en de stelten van een ooievaar, wandelt met het gemak van een doorgewinterde reiziger door de aankomsthal van Schiphol. Hij is op reis geweest, op uitnodiging van onze achterburen. Nou ja buren, wanneer je het ziet gebeuren dat je kind in een ander huishouden zover wegwijs is geraakt dat hij geheel zelfstandig zijn weg in de koelkast aldaar kan vinden, spreek je niet meer over gewone buren. Dan is het een soort van surrogaatfamilie geworden. Zo voelt het ook. En het is wederzijds.

Tien dagen lang is onze puber naar Amerika geweest. Voor het eerst gevlogen en meteen tien uur achter elkaar. Achtduizend kilometers waren we van elkaar gescheiden en tegelijkertijd door duizend onzichtbare draadjes verbonden. Hij heeft enorme pretparken bezocht en gezwommen in de Atlantische oceaan. Hij heeft indrukken opgedaan die hij de rest van zijn leven niet meer zal vergeten. Iedere minuut heeft hij intens beleefd, opgeslagen en ervan genoten. Een unieke ervaring en aan de zijlijn mochten wij met hem meegenieten.

In de aankomsthal wil ik hem het liefst om zijn hals vliegen maar beheers me, houd afstand met respect voor zijn puber welzijn. Voor ik het in de gaten heb komen mijn voeten echter los van de grond en dansend draait het kind mij in het rond. Even moet ik lachen en huilen tegelijk. Om mijn ontroerende puberzoon, die het predicaat servet nog niet helemaal kwijt is geraakt maar zo ontzettend hard op weg groeit, richting tafellaken.

Los

Een nazomerse dag. Een gouden streep van de late namiddagzon schijnt naar binnen. Ze verspreidt een Zwanenmeer van stofdeeltjes, elk met een eigen uitvoering. Binnen is het behaaglijk, maak ik thee van gember en schijfjes sinaasappel. Ik voed mijn Yin, ter voorbereiding op de komende winter. 

Het keukenraam kijkt uit op de tuin. De herfst is in volle bloei, getuige de kleurenexplosie. Seizoen kleuren als goudgeel, goudbruin en dieprood wisselen elkaar af met hier en daar een laatste restje groen. Ook de grond is inmiddels bontgekleurd door afgevallen blaadjes, naaldjes en grote takken. Zachtjes wiegen de knotwilgen boven de sloot, op het ritme van de herfstwind, die door de kachelpijp buldert. In het gras liggen schadegevallen van de storm die gisteravond de hazelnootboom teisterde. Tot mijn schrik is ze nagenoeg kaal gewaaid.

Helemaal achterin de tuin, staat de krentenboom, de levensboom uit mijn tuin, zielig en hangerig te zijn. Vorige week waren haar blaadjes nog rood, gemengd met wat tinten  kopergoud, na vannacht heeft ze nagenoeg alleen haar dunne takken nog over om mee te zwaaien. Hoewel ik het kleurenspel van de herfst prachtig vind, betreur ik het verlies van het botanische leven.

Diep van binnen weet ik dat dat niet zo is. De natuur weet als geen ander hoe ze omgaat met de cirkel van het leven. Herfst betekent los mogen laten, een beetje afsterven en naar binnen keren zodat er stilte en ruimte ontstaat, waarin iets nieuws mag groeien. Voor mij is het ook tijd geworden om los te laten. Ik mag afscheid nemen van zaken en patronen die me niet meer dienen, die mij zwaarmoedig en niet mezelf maken.

De komende periode ga ik mijn glimlach herontdekken. Nee, ik ben of was niet depressief. Maar te lang liep ik in de schoenen van iemand anders, bewandelde ik het pad dat het mijne niet (meer) was.  En net als de bomen laat ik daarom alles wat me niet meer dient, wat me niet voedt, me geen vreugde geeft, los. Stap voor stap, handje voor handje. In de wetenschap dat ook ik naar binnen mag keren, zaadjes mag planten voor iets nieuws.