Hommel(les)

Sinds de overgang is ingetreden lijk ik wel een beetje zwanger af en toe. Serieus.

Mijn hormonen zijn regelmatig verkeerd afgesteld en dat veroorzaakt kortsluiting. Soms is het huilen geblazen, of juist lachen. Soms hyperventileer ik en op andere momenten is mijn thermostaat stuk. Heel af en toe denk ik dat ik dement wordt, doordat ik veel dingen vergeet. Mijn taille groeit, evenals mijn geweten.

Vanmorgen even een boodschap gedaan. Mijn ding gedaan (een hypothecair dingetje aangetekend verzonden) en hup weer naar huis. Niet helemaal want eerst vond ik nog mooie tuinkussens. En een fijn katoenen hemmetje, met kant.

Eenmaal buiten gekomen, zag ik een hommeltje op een betonnen trap voor zijn (of haar) leven vechten. Op de rug gelegen, niet in staat om om te draaien want doornat geregend door een eerdere hoosbui, die ik blijkbaar met het hommeltje had gedeeld.

Ik kon zo gauw niets vinden om het beestje om te draaien. In Coronatijd is niets immers zeker, ook niet om beet te pakken. Mijn handen zijn me heilig. Ik sloeg mijn ogen op, deed een schietgebedje dat de hommel het zou redden en ik stapte door, verscheurd door een knagend geweten.

Halverwege het zebrapad brak mijn oogwater. De sluizen openden en er was geen ontkomen aan, ik moest omdraaien. Dit kon niet. Een onschuldig hommeltje achterlaten in de wetenschap dat ik het wist. Dat het er lag, vechtend voor zijn (of haar) bestaan.

Nogmaals keek ik om me heen, wat kon ik gebruiken als oppak instrumentarium? Op die momenten blijkt toch, dat wanneer de nood het hoogst is, de redding nabij is.

Een milkshakedekseltje werd de redding van mijn geweten én die van het hommeltje. Ergens prettig dat mensen hun troep op straat kwakken; op die manier ontstaan mogelijkheden voor onvoorziene reddingsoperaties.

Voorzichtig schepte ik het hommeltje op het dekseltje en plantte hem vervolgens in een droog stukje plantsoen, onder een struik. Dankbaar strekte het hommeltje zijn vleugels. Helaas had ik geen suikerwater bij me, noch de middelen om dat ter plekke te maken. Ik besloot dat deze zonde mij vast zou worden vergeven.

Het milkshakedekseltje gooide ik natuurlijk in de afvalbak. Ik wierp een laatste blik onder de struik en werd gadegeslagen door een nog steeds opdrogend hommeltje, dat krachtig aan rekken en strekken was. Het zag er levendig uit.

Met een opgelucht gemoed en een licht hart fietste ik naar huis, samen met mijn tuinkussentjes en mijn hemmetje.

Soms is het leven heerlijk simpel.

Vinden

Vanmorgen werd ik wakker met een kater. Dat is vreemd, want ik drink al geruime tijd geen alcohol meer.

Het duurde even voor ik besefte waar het katterige gevoel vandaan kwam. De laatste dagen erger ik me groen en geel aan alles wat er in mijn leven voorbijkomt. De terrassen die weer open mógen. De mensen die weer om elkaar heen hangen op die terrassen.  Want het is zó lang geleden, we hebben zó afgezien.

De demonstratie op de Dam, die waarschijnlijk als goede intentie is begonnen en compleet is verbouwd op de sociale kanalen, door algoritmes die zijn ingesteld op haatzaaierij en het creëren van verdeeldheid, in plaats van op liefde en verbinding. Algoritmes bepalen inmiddels onze informatiekanalen  en helaas daarmee ook ons gedrag. Ik begin dat gevaarlijk te vinden.

Ik ging mee in de boosheid, in de Nationale frustratie tegen een burgemeester. Hoe kon het gebeuren dat 5000 man bij elkaar konden staan in een tijd waarin het niet mocht? Wat was er overgebleven van de afspraken die we maakten met elkaar, de lockdown die velen de baan kostte en waarin vele pasgeboren maar ook doorgewinterde ondernemers het financieel niet hebben gered? Mijn antenne en ik slurpten de informatie op. Ik dacht altijd dat ik de dingen zaak van verschillende kanten kon bekijken maar ik sloeg de plank volledig mis. Ik deed het niet. Ik las, ik zag, ik luisterde. Slurpte en zoog op, scrolde door. Als een ingeplugd internetwezen. Maar ik voelde er weinig bij, vroeg me niet af of het allemaal klopte.

Vandaag realiseerde ik me, dat ik zelf de oorzaak ben van mijn ergernis en irritatie. Het is te makkelijk om te beweren dat het van buitenaf komt; het komt van binnenuit. De schuld ergens buiten mezelf neerleggen is alleen zoveel makkelijker. Jarenlang heb ik van alles buiten mezelf gezocht om het maar niet in mezelf te hoeven vinden, ontdekken, uit te pluizen en te beredeneren. Ik wilde het vooral niet vinden.

Er zat een groot gat in mij. Uitgehold, uitgewoond. Met een triomfantelijke blik keek het me gluiperig aan, klaar om me aan te vallen en op te slurpen.  Met boekenwijsheid en met drank probeerde ik het gat te vullen, te sussen en te verdoven. Het gat werd een IJsselmeer, later werd het de interne Grote Oceaan.  Nog wat later werd het Antarctica. Koud. Levenloos. Op het oog.

Wie de Antarctische zee echter van binnen onderzoekt, ontdekt dat er meer leven dan ooit is. De stand van de walvissen is verbeterd, sinds er niet meer gejaagd mag worden. Daar profiteren meer diersoorten van, onder andere vissen, zeehonden en natuurlijk mijn grote vrienden, de pinguïns. Zelfs de krill komt terug en dat lokt de walvissen weer. De plankton doet weer wat het moet doen en zo komt er ook weer wat meer zuurstof. De kring is rond.

Deze levensles ontdekte ik tijdens mijn alcoholvrije winterslaap, door het bekijken van de Netflix serie “Our planet”. In enkele delen leerde ik alles over de natuur en tegelijkertijd meer over mezelf dan ik wilde  toegeven. De natuur, dat ben ik zelf. Alles wat ik aanraak, leef, adem, is natuur. Alles staat in verbinding met elkaar. En die verbinding, dat is mijn codewoord. Mijn waarde. Dat is wat ik leef en wat ik adem. Een gebrek eraan creëert verslaving. Dit keer was het niet de drank of de boeken. Het was de constante stroom van nieuws, belevenissen, oordelen, meningen en overtuigingen, veelal die van anderen.

Hiervan op pijnlijke wijze bewust geraakt, maakte dat ik wilde losbreken, me weer vrij wilde voelen. Dus trok ik vandaag de stekker uit mijn Facebook account en uit Linked In. Stom? Wegkijk gedrag? Het zal. De toekomst zal het uitwijzen. Wat ik wel weet is dat ik het het ten ene male verdom om nog langer slaaf te zijn van het nieuws en van mezelf. Nadat ik een laatste boodschap had gepost, verwijderde ik de apps rigoureus  van mijn telefoon én van mijn I-pad. Geen uitvlucht, geen omweg. Rust.

Ik besloot een stukje te gaan fietsen en ik kwam uit op het Zonneplein. Ter plekke besloot ik dat ik heel graag een cappuccino lustte. Ik, die zo haar mening had gehad over terrassen. Waar ik hem ging nuttigen wist ik ook. Ergens op dat kleine, overzichtelijk en kneuterig pleintje, waar de zon ook schijnt als het lijkt te regenen. Tegelijk met de zin om op een terras te gaan zitten, vond ik de moed om te vragen, of de cappuccino kon worden voorzien van havermelk. Dat durf ik nooit, omdat ik het lastig vind. Uiteindelijk is voor mij veel vervelender, omdat ik een bubbeltjes buik ontwikkel van gewone melk.  De havermelk geschiedde dus de cappu bleek een dubbele winst.

Op weg terug belandde ik bij een vintage winkel. Voor de deur zaten twee jongedames op de vensterbank geparkeerd, gezellig kletsend. Mijn haastige binnenste mekkerde: hier (ik) is een klant en vort een beetje. De inhoud van het gesprek was echter te interessant om te laten lopen dus stond ik een beetje te drentelen voor de deur. Heimelijk te loeren naar welke spullen ik eventueel op de fiets zou kunnen vervoeren, want er stond zoveel leuks. En ineens begreep ik het. Ook je werk is verbinding, wanneer je werkt om te leven.

“Als we u kunnen helpen, mag u het zeggen hoor,” klonk het vanaf de vensterbank, waarop de twee jongedames zaten. Ik gaf aan, nog even verder te zoeken.  Eenmaal binnen stapte ik een andere wereld in, de wereld uit mijn jeugd. Op slag raakte ik verloren. De twee items die ik uiteindelijk na een half uurtje wilde aanschaffen, bleken niet te koop. Schuldbewust legde de eigenaresse uit, waarom niet. Het waren geluksamuletten uit haar familie, ze had ze in de winkel hangen voor geluk.

Er stond een prachtige kast in de winkel, waar ik mijn bewondering over uitsprak. Het winkelmeisje toonde me een hoekje in de kast, waarin wat kleine streepjes stonden gemarkeerd. De kast bleek óók van haar ouders, die een restaurant hadden gehad. Haar moeder had nooit een notitieblokje nodig gehad, kookte en bediende uit haar hoofd, maar heel af en toe, bij meer dan 100 gasten, had ze af en toe een streepje in de kast gezet om de aantallen drankjes en gerechten vlot te kunnen bijhouden. Deze tekens, als tastbaar bewijs, bevonden zich nu in een heel andere wereld. Het ontroerde me, nog meer omdat ik het verhaal erachter mocht horen.

Eenmaal buiten, lagen er nog boeken, voor de liefhebber. Het bleek de lokale ruilbibliotheek. Ik legde uit dat ik niets te ruilen bij me had, maar dat gaf niet. Na wat zoeken vond ik een boek, Eckhard Tolle.

Ach, eigenlijk vond ik vanmorgen zoveel meer.