“Gatverdamme, wat een lillek uitzicht. Nét gevallen en nu doet m’n bast zeer. En ik ruik herfst. In juli! Kantonnie?”
Dauw spettert alle kanten op. Nummer twee van ‘t setje hazelnoten rekt zich uitgebreid. Van schrikt buitelt zijn jasje eraf.
“Ooohh… heeeerlijk! Voel je die lucht? Die subtiele verandering in de lucht en het licht? Mmm! We zijn precies op tijd!”
“Precies op tijd? Ben jij niet lekker? Het is volop zomer en we zitten midden in een hittegolf. Dan moeten we niet toch nu al glibberen in het natte gras, wachtend op de snijder des doods?”
“Huh, bedoel je Robin de maaier?”
“Ja, precies die. Die sukkel die z’n eigen huis niet meer vindt en struikelt over de molshopen. Elke zaterdag gaat hij los, overdag. En maar doen of hij verschil maakt. Gelukkig leven we nog.”
“Ach joh, die robotmaaier heeft geen oogjes dus hij ziet niks van ons. Bovendien liggen we hier knus in een kuiltje, dus wie doet ons wat? Bovendien: over een paar weken is het herfst. Dan stopt-ie vanzelf en kunnen we gezellig samen liggen rotten. Heurluk!”
“Fijn vooruitzicht, bijdehantje. Liggen en rotten. Is dat jouw idee van de herfst? Oud worden?”
“Ja heerlijk toch? We moeten niets, we hoeven niets en we worden niet meer gegeseld door koude Noordwesters of natte Zuidwesters. Hier is een heerlijk zonnetje, prima toch? Misschien barst ik wel open en wortel ik,” zegt het ene nootje bijdehant, terwijl hij uiterst tevreden om zich heen kijkt.
“Jij gaat helemaal niet wortelen, eikel.”
“Ja, hee hallo?! Wie noemt wie hier een eikel?”
Beide hazelnoten kijken verschrikt om.
Achter zich ontdekken ze een jonge eikenscheut, die trots zijn blaadjes strekt. Redelijk gespierd, dat mag gezegd.
“Ha, hier Edwin. Drie centimeter puur eiken. En ja, ik luister al heel de ochtend mee.”
“Wat doe jij daar zo opgeblazen tussen die kiezels?”, vraagt een van de hazelnoten nieuwsgierig.
“Ik groei, jongens. Als een malle. Die maaier komt hier niet, dus geen messen of drama. Ik krijg pure zon, warmte uit de kieseltjes en af en toe een briesje vol zoete beloften. Die kiezels hier zijn mijn sportschool,” zegt het scheutje eigenwijs terwijl hij op zijn biceps wijst. Die zijn redelijk indrukwekkend, na een weekje kiezelpompen.
“Pff. Die jongen staat nog geen week in de wereld en hij heeft nu al praatjes,” mompelt de oudste hazelnoot, die afstand neemt van dit geheel.
“Ik voel het gewoon door mijn hele stam,” zegt de eikenscheut eigenwijs. “De herfst. Ze hangt in de lucht. Vanmorgen zag ik de zon al kantelen.”
“Naja seg!” roepen beide hazelnoten. Dat vonden wij ook! Het licht is anders! Maar de mensen roepen dat het hoogzomer is dus we wisten het niet helemaal zeker.”
“Als ik nu maar niet geraapt wordt,” mekkert het ene hazelnootje met een angstig gezicht.
“Wat maakt dat nou uit,” oppert de ander. “Misschien mag je ergens liggen waar het nog veel mooier is dan hier. Kan toch?”
“Ja, of je beland in de maag van een mol of egel,” schatert de jonge eikenscheut. “Die zijn hier in grote getale aanwezig. Het lijkt wel een invaasie.”
“Voorlopig hopen wij dat het zaterdag regent,” zegt het ene hazelnootje zeer beslist.
“En ík hoop dat iemand ons vergeet,” voegt de eikenscheut er zachtjes aan toe.

Bedrijfsdagboek
Mijn oude bedrijfsdagboek was vol: tijd voor een nieuwe. Keek terug en ontdekte een groeispurt.

