Odette Wolff
Odette Wolff

Sinds 2010 draag ik de naam Lettersmid. Ik schrijf over alles wat in mij leeft. Het liefst vind ik woorden die nog niet bestaan, waarbij ik me niet laat leiden door grammatica of spelling.

Eigen-heid

Zondagmiddag liep ik in het zonnetje, met mijn harige dochters van dertien over het talud langs de Ring A10. Heerlijk buiten dwarrelen en vitamine D opdoen.

Sinds de honden puppen waren is de dijk langs de A10 de favoriete wandelplek van ons gezin. Mijn hondenmeisjes kunnen er heerlijk los lopen, zonder gevaar. Waar ze vroeger kwispelend heen en weer en van links naar rechts renden, om zodoende vier maal de afstand af te leggen ten opzichte van die van mij, wordt het de laatste jaren wat gezapiger. Rennen is drentelen geworden. Omkijken. Snuffelen. Nog eens kijken. Sullig kijken.

Mijn liefste meisjes worden oud. Ze zien niet meer alles en dat horen ze ook niet meer. Tegenwoordig loop ik dus zowel voorop als achterop in de roedel. Regelmatig mag ik heen-en-weren om het dwalende grut op te halen bij waar ze zijn blijven staan. We zijn in de tijd beland dat ik meer kilometers maak dan zij en dat laat me grijnzen bij de gedachte.

Ik was al fan van stilstaan en nu leer ik van mijn hondenmeisjes het belang om dat ook regelmatig te dóen en het er niet alleen maar over te hebben. Soms is het ene plukje gras gewoon mooier dan het andere. En soms vind je met stilstaan pure schatten.

In een van de iepen voor mijn neus bijvoorbeeld, waarmee de rand langs de ring is volgeplant. Daar zat hij. Mijn oude vriend, de kraai. Van binnen juichte ik en hoopte ik, dat hij zou blijven zitten. Maar zoals dat gaat met de werkwoorden hopen en willen, kwamen al gauw de woorden zou en toch om de hoek kijken. Het beest vloog op.

Teleurgesteld liep ik verder. Snelde vooruit en kon – uiteraard – na vijf minuten weer teruglopen om mijn roedel op te halen. Daar zat hij opnieuw, mijn vriend de kraai.
Ik besloot óók stil te staan en deed een schietgebedje in de hoop dat de honden niet in geblaf zouden vervallen.

“Zou jij misschien alsjeblieft even willen blijven zitten?” vroeg ik de kraai vriendelijk. “Ik vind je zo mooi en ik zou je graag op de foto vastleggen. Als hulpje om mij eraan te helpen herinneren dat het soms belangrijker is om stil te staan dan vooruit te hollen.”
De kraai hield als antwoord zijn hoofd schuin. Ik vond het wel een koddig gezicht, dus ik gaf hem nog wat welgemeende complimenten zodat ik tegen ‘m kon blijven praten. Over zijn prachtig blauwzwarte verenkleed bijvoorbeeld, dat glom alsof hij ‘s morgens nog een ferme poetsbeurt had gehad.

Opeens vloog hij weg, luid krassend. Hij landde op de geluidswal van de snelweg, om daar luid verder te krassen. Ik moest een beetje lachen omdat ik me in eerste instantie afvroeg wat het punt was om zoveel lawaai te maken aan de rand van een snelweg. Het leek me verspilde moeite, met al die langsrazende auto’s.

Tot ik me realiseerde… dat dit alleen zo is als je er vanuit gaat dat er niemand aan de andere kant van de muur staat. Wat niet altijd zo is.
De kraai gaat over het vinden van je eigen (stem)geluid. Je eigenheid. Ook dus op plekken waarvan je niet direct zou denken dat iemand het hoort.

Achter elke muur kan iemand staan die jou wél hoort.

Meer blogs:

Leven in een zandkasteel

Met een schep en een emmertje staat Zola buiten. Een deel van het kozijn is vannacht ingestort, door de koude Noordwester die

Wij-water

Ja lieve mensen, hier ben ik dan! De Wij-waterengel. De wat? De wij-water-engel. Ik leg het even uit. Ik ben een onderwaterengel,

Vakkie

Hoi, hier Vakkie. De tas van Odette. Nee, ik ben geen handtas. Ook geen rugtas, trouwens, Geen boodschappentas en ook geen gymtas.

Word fan!
Loading