Odette Wolff
Odette Wolff

Sinds 2010 draag ik de naam Lettersmid. Ik schrijf over alles wat in mij leeft. Het liefst vind ik woorden die nog niet bestaan, waarbij ik me niet laat leiden door grammatica of spelling.

Koffertje

“Laat los!” roep ik tegen mijn rechterhand. Krampachtig in de palm gevouwen vind ik een handvat, dat weer is vastgemaakt aan een geblokt koffertje. Nijdig schop ik er tegenaan. “Oprotten nou,” zeg ik. “Ik heb honderden, misschien wel duizenden euro’s uitgegeven aan verwerking en aan therapeuten en ik ben er nu echt klaar mee. Mag ik na 36 jaar gewoon eens terugkijken op de fijne dingen die mijn vader ook was, behalve dat hij echt ontzettend dood is?”

Het koffertje zwijgt. Tja. Spullen zwijgen. Lekker makkelijk.

“Waarom mag ik er niet gewoon zijn?” hoor ik ineens zachtjes naast mijn enkels. Ik kijk naar beneden en ontdek een murmelend mondje in het geblokte koffertje.

“Ik heb niets tegen jou persoonlijk,” zeg ik tegen het koffertje. “Ik heb iets tegen dat wat jij representeert, dat steeds maar blijft terugkomen. Na 36 weet ik het wel en ik ben er dan ook een beetje klaar mee. Mijn vader was meer dan alleen maar dood, ik heb hem zestien jaar ook levend meegemaakt, snap je dat?”

“Jazeker,” zegt het koffertje. “Ik was zo trots op jou vorig jaar, toen je dat ontdekte. Toen je jezelf de vraag durfde te stellen: als ik het verdriet loslaat, wat is er dan nog over van mijn vader, behalve dat hij heel erg dood is?”

Ik luister. Ademloos, want ik weet precies op welke dag en datum ik die vraag aan mezelf stelde. Boos en verdrietig tegelijk. Want ik wilde zo graag iets anders vinden van mijn vader, naast het feit  dat hij alleen maar erg dood was geweest. Er was meer.

Zo ontdekte ik niet alleen leuke foto’s van ons tweeën, maar ik ontdekte ook wat spiergeheugen inhoudt. Ik wist weer hoe koud het staal van de brommer tank aanvoelde, als ik eventjes bij mijn vader voorop mocht zitten. Op het kleine stukje van de straat, over het grind en een heel rare bocht langs de appelboom, naar de schuur. Nog kan ik voelen hoe het grind onder de brommer verschoof. Hoe mijn moeder keek. Als ik maar niet viel.

We vielen nooit. Met een grote boog zette mijn vader me weer op de grond, nam de brommer aan zijn hand en reed hem de schuur in. Naast de werkbank en onder het plateau met daarop duizenden oranje bloempotjes,  die amateuristisch en tegelijk vakkundig aan het schuurplafond was bevestigd.

“Ik zie dat jij weet waarover ik het heb,” spreekt het koffertje. “Dat was een mooie stap in je verwerking, lief kind. Toen je het aandurfde om een energetische behandeling te nemen was ik zo blij voor je. En trots, omdat je bereid was iets achter te laten, namelijk de zekerheid dat niets meer hetzelfde zou aanvoelen. Je verlangen naar loslaten was gegroeid ten opzichte van de angst naar de vraag hoe weinig er van je vader zou achterblijven.”

Het klopt. Het klopt allemaal, niet te geloven, wie of wat is dat koffertje? Ik bekijk het eens van alle kanten. Geen vleugels, dus niet gestuurd door deze of gene van welke zijde dan ook. Het is er gewoon. En eigenlijk voelt ze best oké, dat koffertje.

Het is eigenlijk wel fijn dat ze er is. Want nu heb ik toch iemand gevonden, met wie ik over mijn vader kan praten.

“Weet je nog wat er gebeurde bij die sessie?” vraagt het koffertje. “Die sessie waarin je terug kon keren naar de oude slaapkamer van je ouders om echt afscheid van je vader te nemen? Het was zo mooi want ik hoorde meerdere malen de woorden “dank je wel” voorbijkomen en wel wederkerig, in twee stemmen.”

Ik ben verbijsterd dat koffer dit weet, want tot nog toe was ik de enige. Ik heb dat ook nooit uitgesproken, uit angst voor gek te worden versleten. Maar het is echt zo. Ik heb afscheid kunnen nemen van mijn vader en we hebben elkaar bedankt. Mijn vader dankte mij omdat ik hem heel lang in ere heb gehouden en ik heb mijn vader bedankt voor de jaren waarin hij er wel was. Voor het feit dat hij mijn nieuwsgierigheid aanwakkerde.

“Heb je nooit gemerkt dat ik die middag van je schouders ben afgeklommen? Heb je die lichtheid sindsdien niet gevoeld?” vraagt het koffertje verbaasd.

“Nee,” zeg ik wat beteuterd. “Ik heb wel lichtheid gevoeld, maar dat heb ik gekoppeld aan iets anders,” zeg ik verbaasd.

“Ik was het,” zegt het koffertje zacht. “Maar ondanks dat ik zoveel lichter werd, kon ik niet zo goed afscheid nemen van jou. Je hebt zo lang met mij gezeuld, me zo lang gedragen. Misschien wel te lang,” fluistert de koffer zachtjes.

“En toen durfde ik niet meer zomaar te vertrekken,” zegt het koffertje, terwijl ze haar handvat om krult. Er komt een gedachte bij me op. “Misschien hoef jij helemaal niet weg,” zeg ik peinzend. “Misschien is het wel de bedoeling dat we bij elkaar blijven. Maar mag ik je vragen om voortaan naast me te blijven en niet meer op mijn schouders? Want dan kan ik je af en toe op schoot trekken en je openmaken, om te kijken hoe het met je gaat. Zo kan ik zien of je iets nodig hebt. En jij kunt dat dan ook aan mij zien, in het kader van de wederkerigheid. ”

Koffer knikt. Ze trekt haar handvat in. “Laat mij gewoon hier staan. Als je me nodig hebt, weet je waar ik ben.” Het koffertje bonkt zichzelf naar de kapstok terwijl ze deze woorden uitspreekt. “En ik lust mijn koffie graag zwart,” zegt ze olijk. Het lijkt wel alsof ze knipoogt.

Bovenstaand stuk schreef ik naar aanleiding van de schrijfopdracht “Schrijf over maart” uit mijn facebookgroep “30 dagen schrijven.”

Maart blijft voor mij natuurlijk de maand van de dubbele bodem. Mijn geboortemaand en tegelijk een maand die altijd aan mijn hart zal blijven schudden, die de boel op zijn kop zet en mijn wereld omgooit. De vraag is, of dat erg is.

Wat dit stuk bijzonder maakt, is dat de vraag van het koffertje: “Mag ik er niet gewoon zijn? ” letterlijk opkwam in de paardenbak vorige week, bij Angi en Dada. Het gebeurde tijdens een kennismaking met paardencoaching, dat ik cadeau had gekregen. Aan beide paarden heb ik letterlijk gevraagd: “mag ik gewoon even zijn, zonder vraag, zonder iets, zonder gedachten?”

4 reacties

  1. Ach wat mooi, het koffertje en de vorderingen die je maakt. Mag ik dat zeggen? Eigenlijk is de koffer een mooiere metafoor dan een rugzak, die moet je hoe, licht ook, toch op je nek nemen. Staat goed onder de trap, altijd onder handbereik. 😉

Reacties zijn gesloten.

Meer blogs:

Leven in een zandkasteel

Met een schep en een emmertje staat Zola buiten. Een deel van het kozijn is vannacht ingestort, door de koude Noordwester die

Wij-water

Ja lieve mensen, hier ben ik dan! De Wij-waterengel. De wat? De wij-water-engel. Ik leg het even uit. Ik ben een onderwaterengel,

Vakkie

Hoi, hier Vakkie. De tas van Odette. Nee, ik ben geen handtas. Ook geen rugtas, trouwens, Geen boodschappentas en ook geen gymtas.

Word fan!
Loading