Schattenbollen

Als ik aan mijn vader denk, zie ik altijd eerst zijn ogen. Indringend blauw, zoals de hemel in februari de lente aankondigt.

Oog voor de wereld had mijn vader niet maar planten en bomen kon hij omhoog kijken. Hij was tuinman en oefende dit beroep met hart en ziel uit. Bladerloze boomstammen kweekte hij op tot volle oerbossen, onbegrepen plantsoorten die tot “herba non grata” werden verklaard verleende hij met liefde politiek asiel. Zij konden rekenen op zijn onvoorwaardelijke steun, liefde en toewijding.

In de plantsoenendienst konden dingen door elkaar groeien: thuis heerste er orde. Onze tuin had een vaste indeling, veranderingen hierin waren niet toegestaan. Groepen van verschillende soort en kleur werden niet gemengd want dan was de tuin te klein. In het gras bivakkeerde elke februari een leger sneeuwklokjes. Ingekwartierd volgens duidelijk omlijnde bataljons, waaraan niet werd getornd. Verplaatsing van een sneeuwklokje stond gelijk aan een vroege dood: één enkele haal van de zeis was genoeg.

Langs het tuinpad van mijn vader, dat zich kronkelend vanaf de schuur langs verschillende kleurige borders tot aan de sloot uitstrekte, woonden de blauwe druifjes. Gezusterlijk stonden zij ieder voorjaar weer naast elkaar, gezellig bibberend in de soms nog ijzig koude lentewind. Aan de oever van de sloot lag een gele tulpenenclave en aan de voorkant van de schuur, naast de hyacinten, woonden de krokussen; paars bij paars, geel bij geel.

Verdekt opgesteld achter de seringenboom die ’s zomers heerlijk geurde, stond een houten kas die betere tijden had gekend. Erin hing de geur van verse aarde. Dat kon ook niet anders, aarde kreeg geen tijd om uit te drogen met mijn vader in de buurt. Zomers kon ik me tegoed doen aan complete druivenranken. De tomaten liet ik met rust. Huu!

In een maartse nacht nét vóór de lente en na het poten van de eerste aardappelen, stierf mijn vader aan een hartstilstand. Dat betekende een opstand tussen de verschillende bevolkingsgroepen in zijn tuin. Er ontstond een stil protest onder de beplanting. Verschillende bomen verloren het loof en de bollen begonnen zich vreemd te gedragen. Van een devoot en zwijgend volk veranderden zij in wraakzuchtige duiveltjes. Overal kwamen ze tevoorschijn, tot in de zomer.

Dat lag anders voor de aardappelen: de oogst mislukte en de druiven waren zuur. Oma’s theerozen, ooit vurig rood, hingen zielig oud roze te zijn. In het najaar van 1987 viel er geen appel van de boom, de vruchten waren simpelweg verschrompeld. Onze tuin der lusten werd een tuin van zuchten. Een decennium lang verklaarde het groenvolk zich tot autonome dictatuur, met uitzondering van de sneeuwklokjes. Die kwamen elk jaar terug.

Mijn vriendje en ik besloten om te trouwen. Mijn ouderlijk huis werd ons thuis, na een verbouwing van bijna honderddertig weken. In de renovatieperiode werd de tuin meerdere malen door de buren tot regionaal rampgebied verklaard. Dat was ook zo, maar zelden heb ik zulk mooi onkruid gezien als in de zomer van 1993, waarin we dakpannen van het oude Mariapaviljoen van het OLVG afstoften, voor hergebruik. De tuin was één groot kleuren- en geurenfeest ook al was het gemeengoed, aangezien onze heemtuin zich een weg door de buurt had gegroeid.

Van een vaste tuinindeling was na de renovatie geen sprake meer. Tot mijn spijt heb ik weinig van vaders groene genen geërfd. Struiken komen bij mij altijd op de verkeerde plek terecht doordat ik niet oplet, als ik ze in de grond zet. Ik lees doodeenvoudig het kaartje niet als ik een plant koop. De blauwe ogen van mijn vader heb ik ook al niet geërfd, behalve dan de zes gemeenschappelijke dioptrieën, die ik koester.

Toch heb ik wel degelijk iets van mijn vader geërfd: zijn witte vriendinnen, de sneeuwklokjes. Voor de groene dictatuur hebben ze nooit gebogen. In sommige lentes was hun terugkeer niet vanzelfsprekend, aangezien zij zich aan het gras – dat telkens op verschillende plaatsen lag – moesten aanpassen. De trouwe witte sneeuwklokjes verhuisden altijd dapper mee, verlieten mijn vader nooit.

En nu nog steeds, als traditie, melden zij zich elk voorjaar weer trouw. Nog altijd in keurige groepjes. Vaste tijd, vaste prik. Sinds kort ontdek ik ze óók buiten onze tuin. Dat lijkt logisch, maar midden in de stad tussen het asfalt is toch een ander koekje. Of ergens twee dagen bivakkeren en bij vertrek de sneeuwklokjes ontdekken in een bloembak waarvan alles al is uitgebloeid en de sneeuwklokjes zijn blijven staan.

Ik noem dat grenzeloos groene vingers, tot óver het graf.

En daarom houd ik zo ontzettend van sneeuwklokjes en word ik vaak gewezen op de aanwezigheid van die schattenbollen. Deze schat ontdekte ik pas na twee cursusdagen, toen ik weer naar huis ging. Naja!

Meer lezen?

In mijn EigenWijze mail vind je elke maandagmorgen een portie eigen zinnigheid en bemoediging. Geen funnelfuik: gewoon fijn leeswerk.

Geef een reactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde blogs

Jeetje, wat arrogant

Zelfbeschikking over je agenda is nooit arrogant: je geeft helderheid in wat je brengt en voor wie. En wanneer. Daar gaat dit blog over.

Lees verder »

Als dingen gaan praten

Soms ken je je goud niet. Dan heeft het tijd nodig om zich te laten vinden of verwoorden. Sommige dingen hebben tijd nodig om zichzelf uit te leggen.

Lees verder »

Kies je nies!

Ik heb lang gedacht dat ik als ondernemer elke klant moest helpen die me aanklopte. Tot een afwijzing me liet inzien, dat het niet hoefde. Sindsdien werk ik alleen nog met Fijne Mensen: pioniers met een kriebel in hun neus die nieuwsgierig zijn naar wat mogelijk is. Geen toeristen die een poffertje komen proeven. In dit blog lees je hoe ik dat onderscheid maak en waarom.

Lees verder »